Toon items op tag: Litigation
Nieuwe doorgedreven prudentiële verplichtingen voor financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen
Het lijkt erop dat de Nationale Bank van België (NBB) het vuur aan de schenen legt van de financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen (met vergunning voor levensverzekerings-activiteiten) om interne controles te verrichten teneinde de rechtmatigheid van de oorsprong van eerder gerepatriëerde tegoeden voldoende te kunnen staven, alsook om na te gaan of zij als belastingschuldigen de nodige taksen inhouden en de uitwisseling van informatie correct toepassen op risico van zich schuldig te maken aan een bijzonder mechanisme, dat strafrechtelijk beteugeld kan worden en waardoor zij eventueel hun licentie kunnen verliezen.
COLUMN TRENDS: Lokale fiscale ambtenaren zijn alle autonomie kwijt. Er is geen passend lokaal maatwerk meer
Koen Van Duyse bespreekt in zijn columns voor het magazine Trends actuele fiscale onderwerpen met een kritische pen.
'Het is niet omdat er veel aangiften elektronisch worden ingediend, en steeds meer, dat daardoor de dienstverlening verbeterd is', zegt Koen Van Duyse, partner van Tiberghien Advocaten.
De aangifteperiode is het seizoen bij uitstek waarin de dienstverlening door de fiscale overheid in al haar scherpte op de proef wordt gesteld. Laten we met de deur in huis vallen: het is niet omdat er veel aangiften elektronisch worden ingediend, en steeds meer, dat daardoor de dienstverlening verbeterd is.
Mensen weten ook niet meer waar ze terecht kunnen. Ze kunnen ook nergens meer terecht. Een inwoner van Knokke-Heist die vroeger aan haar buurman een fiscaal woonplaatsattest kon vragen om mee te brengen, moet nu naar Brugge en krijgt daar dan de melding dat ze het moet downloaden. Gepensioneerden en anderstaligen begrijpen het woord amper, laat staan dat ze het zelf kunnen. Als men een vraag heeft, weet men ook niet meer wie de bevoegde persoon is. Hoe vaak belt zelfs een professional naar een algemeen nummer en krijgt die als antwoord dat men een e-mail moet sturen die dan wel beantwoord zal worden?
Organisatorisch is dat ongetwijfeld efficiënt, alhoewel. Alle macht is centraal verankerd bij een beperkt aantal personen, ver weg van de burger. De roep van Joachim Coens voor meer nabijheid spreekt me sterk aan. De kloof tussen beleid en burger zo klein mogelijk houden. Dienstverlening die dat miskent, is geen goede dienstverlening. Ook de ex-CEO van Danone verklaarde vorig weekend in Het Financieele Dagblad dat de toekomst lokaal is en dat centralisatie en standaardisatie managementconcepten uit het verleden zijn.
Dit artikel verscheen op 14/07/2021 voor Trends Money Talk. U kan het bronbestand hier raadplegen.
Big brother is auditing you: terbeschikkingstelling van digitale gegevens aan de fiscus is een (wettelijk) feit
1. In een eerdere nieuwsbrief (dd. 23 april 2021) werd reeds aangekondigd dat een wetsontwerp in voorbereiding was waarin een wijziging werd voorgesteld in het kader van het boekenonderzoek in de inkomstenbelastingen en inzake btw. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de Wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (BS 30 juni 2021) (Artt. 105 en 106).
2. Concreet voorzien artikel 315bis WIB92 en artikel 61, §1 W.BTW. in een nieuw lid (lid 4 resp. lid 5), waarbij, onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven, de voorlegging van boeken en bescheiden (inzake inkomstenbelastingen) resp. boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën (inzake btw) eveneens betrekking heeft op de terbeschikkingstelling van die boeken en bescheiden resp. boeken, facturen, en andere stukken via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën.
Deze elektronische voorlegging kan uiteraard enkel maar betrekking hebben op de boeken en stukken die elektronisch beschikbaar zijn. Boeken en stukken die enkel op papier worden gehouden, dienen enkel op papier te worden voorgelegd en vallen buiten het bestek van deze nieuwe bepaling (MvT bij Wetsontwerp dd. 27 mei 2021, Parl.St. 2020-2021, 55-1993/001, p. 51). Deze nieuwe bepaling is ook enkel van toepassing op personen die beroep doen op een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat om de boeken en bescheiden resp. facturen en stukken geheel of ten dele te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren.
Volgens de Memorie van Toelichting bevinden belastingplichtigen die hun boeken, stukken en bescheiden elektronisch bijhouden zich in een objectief verschillende situatie dan die belastingplichtigen die nog steeds alle documenten op papier bijhouden. De eerstgenoemde belastingplichtigen kunnen immers snel en gemakkelijk een groot volume aan gegevens overbrengen naar het beveiligde elektronisch platform van de FOD Financiën zonder noemenswaardige administratieve lasten. Die situatie verschilt sterk van de tweede categorie van belastingplichtigen. De nieuwe regeling lijkt daarmee ook in verhouding te staan tot het beoogde doel, aangezien de bepalingen aangaande de medewerking van de belastingplichtige tijdens het fiscaal onderzoek ten aanzien van alle belastingplichtigen onverkort blijven gelden.
3. Elektronisch gehouden boeken, stukken en bescheiden kunnen mits de nodige machtigingen van de belastingplichtige aan zijn beroepsbeoefenaar (boekhouder, accountant, enz.) ook door die beroepsbeoefenaar worden overgemaakt (MvT bij Wetsontwerp dd. 27 mei 2021, Parl.St. 2020-2021, 55-1993/001, p. 52).
4. De terbeschikkingstelling van deze digitale gegevens doet geen afbreuk aan de reeds bestaande mogelijkheid voor de belastingplichtige om mondeling in dialoog te treden met de fiscale controleur en bv. toelichting te geven bij het dossier of te vragen naar het verdere verloop van de procedure (cf. zinsnede “onverminderd het recht van de belastingplichtige…”).
5. Noteer eveneens dat het opvragen van deze digitale gegevens nog steeds dient te gebeuren in het licht van een fiscale controle en het derhalve geenszins de deur openzet voor de fiscale administratie om zonder meer en systematisch alle elektronische beschikbare boeken, stukken en bescheiden op het elektronisch platform van de FOD Financiën te plaatsen (MvT bij Wetsontwerp dd. 27 mei 2021, Parl.St. 2020-2021, 55-1993/001, p. 52).
6. De nieuwe regeling wenst tegemoet te komen aan de historische wettelijke verplichting tot voorlegging van boeken, stukken en bescheiden zonder verplaatsing, waarbij de belastingplichtige steeds middelen en mensen moest vrijmaken om een bezoek ter plaatse in zijn bijzijn te faciliteren. Het maakt bovendien deel uit van de logica die de fiscale administratie de afgelopen jaren heeft gevolgd en die de neiging heeft om de elektronische uitwisselingen te bevorderen, tenminste wanneer de belastingplichtige over de technische middelen beschikt om dat te doen. Deze wijziging beoogt aldus om bij een fiscale controle de administratieve last te verlichten voor de belastingplichtige of de btw-plichtige, in die zin dat de bedrijfsvoering niet langer hoeft onderbroken te worden door een bezoek ter plaatse van de fiscale ambtenaar, die evenwel nog steeds zal blijven overleggen met de belastingplichtige aangaande de controle die hij uitvoert.
De voorgestelde wijziging rechtvaardigt zich de dag van vandaag ook in het licht van de huidige gezondheidscrisis die verplicht om de verplaatsingen en de sociale contacten maximaal te beperken. Het beperken van de bezoeken ter plaatse door de ambtenaren van de fiscale administratie die niettemin hun controletaak moeten kunnen blijven uitoefenen, zou dus binnen dit kader moeten passen.
7. Welk concreet effect deze wijziging in de praktijk zal hebben, is momenteel nog niet in te schatten. Het zou niet verwonderen indien de reeds bestaande praktijk om middels een “Vraag om inlichtingen” te verzoeken om elektronische boekhoudbestanden door te sturen, zal exploderen. Niettemin wordt het niet aanvaardbaar geacht dat de administratie zulke opzoekingen en zoveel werk zou vragen dat ze voor de belastingplichtige ongehoord tijdverlies en kosten zouden meebrengen. De gepastheid van het vragen van bepaalde inlichtingen moet dus in het licht van de feitelijke omstandigheden eigen aan elk geval worden beoordeeld (Com.IB92, nr. 316/2).
8. Aangezien de Wet geen specifieke bepaling voor de inwerkingtreding bevat, treedt deze wijziging in werking vanaf de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad op 30 juni 2021, aldus reeds op 10 juli 2021.
Voor meer informatie kan u terecht bij:
Ellen Vandingenen – Senior Associate (ellen.vandingenen@tiberghien.com)
Stevo Gatsos – Associate (stevo.gatsos@tiberghien.com)
Vertrekpunt van de hertaxatietermijn na een nietige aanslag: the taxman always rings twice
Het Hof van Cassatie brengt in een recent arrest van 17 mei 2021 de wettelijke principes over het vertrekpunt van de hertaxatietermijn na een nietige aanslag in herinnering. Over dit vertrekpunt bestaat er in de rechtspraak niet altijd eensgezindheid. De rechtspraak van het Hof brengt soelaas.
Een aanslag die niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, is zonder meer nietig. Conform de fiscale wetgeving kan de fiscus in voorkomend geval, zélfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen de drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de Adviseur-Generaal van de fiscale administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
Met deze wettelijke bepaling bood de wetgever de fiscus een kans op een beter resultaat in tweede zittijd. De wet voorziet evenwel uitdrukkelijk dat deze nieuwe aanslag -ter vervanging van de vernietigde aanslag- slechts mag worden gevestigd vanaf de datum waarop de administratieve beslissing tot vernietiging van de initiële aanslag niet meer vatbaar is voor een voorziening in rechte. De termijn begint met andere woorden niet te lopen vanaf de dag van de directoriale beslissing over de vernietiging van de aanslag, maar wél vanaf de dag van het verstrijken van de termijn om tegen deze beslissing een gerechtelijke procedure op te starten.
Over het vertrekpunt van deze hertaxatietermijn bestaat in de praktijk reeds geruime tijd betwisting, meer specifiek over de bewoordingen “niet meer voor de rechter kan worden gebracht”. Bepaalde rechtspraak wees er in het verleden op dat het verstrijken van de beroepstermijn niet de enige piste was waardoor een vordering in rechte niet meer aanhangig kon worden gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg. Volgens deze rechtspraak moet er eveneens rekening worden gehouden met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarin wordt gestipuleerd dat “een vordering niet kan worden ingesteld indien de eiser niet de hoedanigheid noch het vereiste belang hiertoe heeft, waarbij dit belang reeds verkregen en dadelijk moet zijn”. Hieruit zou volgen dat de termijn om de nieuwe aanslag te vestigen aanvangt met de kennisgeving van de directoriale beslissing indien deze niet meer voor de rechter kan worden gebracht bij gebreke van het vereiste belang. In een uitzonderlijk geval oordeelde de rechtbank van Namen dat dit steeds het geval is wanneer de directoriale beslissing de initiële aanslag geheel vernietigt. De belastingplichtige heeft volgens de rechtbank geen belang bij de instelling van een vordering in rechte, daar de aanslag gewoonweg niet meer bestaat en die beslissing aldus in het voordeel van de belastingplichtige is.
Met het arrest van 17 mei 2021 lijkt het Hof van Cassatie deze discussie definitief te beslechten, waarbij uitsluitend de inachtneming van het verstrijken van de beroepstermijn als pertinent criterium naar voren wordt geschoven. De zaak werd doorverwezen naar het hof van beroep te Bergen en zal aldaar door de feitenrechter worden beslecht.
Ben Van Vlierden - Partner (ben.vanvlierden@tiberghien.com)
Olja Rudic - Associate (olja.rudic@tiberghien.com)
Hoe kan een belastingplichtige het bewijs leveren dat hij geen fiscaal inwoner (meer) is in België?
Een natuurlijke persoon is onderworpen aan de Belgische personenbelasting indien hij een fiscaal inwoner van België is. In de praktijk rijzen omtrent dit fiscaal inwonerschap regelmatig discussies tussen belastingplichtigen, die menen dat zij geen fiscaal inwoner (meer) zijn, en de fiscale administratie. Hierbij is het cruciaal voor de belastingplichtige om het bewijs te leveren dat hij of zij geen fiscaal inwoner in België (meer) is. Een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 23 juni 2020 (nr. 2019/AR/407) werpt een interessante blik op de bewijsmogelijkheden voor een natuurlijke persoon om te bewijzen dat zijn fiscaal inwonerschap niet (meer) in België ligt.
Twee echtgenoten woonden tot 2011 in België in het kader van hun beroepswerkzaamheid als specialisten in de tropische geneeskunde bij een onderzoeksinstituut. In 2011 werd de man van het koppel naar Gambia gedetacheerd om daar als onderzoeker-specialist te werken bij de Gambiaanse afdeling van het onderzoeksinstituut. In 2012 verhuisde ook mevrouw naar Gambia om in een soortgelijke functie te werken bij hetzelfde instituut. De belastingadministratie meende in 2015 evenwel dat het fiscaal inwonerschap van het echtpaar (nog steeds) in België lag n.a.v. een controle over de onroerende goederen op naam van de echtgenoten. Het echtpaar behield een woning in België en keerde regelmatig terug naar België. Hun bezoldigingen werden eveneens in België uitbetaald.
Vooreerst haalt het Hof de algemene toepasselijke bepalingen aan. Een natuurlijke persoon is onderworpen aan de Belgische personenbelasting indien hij zijn woonplaats in België gevestigd heeft of, indien hij geen woonplaats heeft in België, zijn zetel van fortuin zich in België bevindt. Aangezien de belastingplichtigen ingeschreven waren in het rijksregister tot 2018, ontstond een weerlegbaar wettelijk vermoeden dat zij hun woonplaats of zetel van fortuin in België hadden. De belastingplichtigen dienden m.a.w. het tegenbewijs te leveren dat hun fiscale woonplaats niet in België gelegen was.
Het Hof verwijst in zijn arrest regelmatig naar de administratieve circulaire omtrent het begrip “rijksinwoner” (Circulaire Ci.RH.241/585.607 d.d. 12 juli 2007). In deze circulaire verduidelijkt de administratie dat het tegenbewijs inzonderheid moet blijken uit de feitelijke omstandigheden die het verblijf in het buitenland kenmerken. Het Hof haalt vervolgens aan wat onder “woonplaats” dient te worden verstaan, met name de feitelijke woonplaats die noodzakelijkerwijze gekenmerkt wordt door een bepaalde bestendigheid of continuïteit. De zetel van fortuin is dan weer de plaats van waaruit het vermogen beheerd wordt. Om te beoordelen waar iemand zijn woonplaats heeft, moet worden nagegaan waar de persoon vast verblijft, waar zijn gezin gevestigd is en waar hij de vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt (sociaal, cultureel, …), aldus het Hof.
Hoewel de belastingwoonplaats de plaats is waar een natuurlijke persoon effectief en duurzaam verblijft, met andere woorden waar hij leeft en werkt, meent het Hof ook rekening te moeten houden met de evoluties in de samenleving en de economie. Het komt immers meer en meer voor dat een persoon zijn beroepsbezigheden niet uitoefent in hetzelfde land als dat waarin zijn gezin gehuisvest is en waar hij zijn vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt. In dit geval moeten de verschillende constitutieve bestanddelen van de belastingwoonplaats tegenover elkaar worden afgewogen, waarbij uiteraard meer belang moet worden gehecht aan het centrum van de huishoudelijke en vitale betrekkingen dan aan de plaats van het verblijf en van de beroepswerkzaamheden, aldus het Hof. De belastingwoonplaats wordt immers bepaald door het feit van de woning en meer in het bijzonder van de woning waar het gezin is gevestigd.
Het Hof bevestigt het standpunt van de belastingplichtigen en oordeelt dat zij geen fiscale inwoners meer waren na hun tewerkstelling in en verhuis naar Gambia op basis van de volgende overwegingen:
- De belastingplichtigen betrokken een woning in Gambia die ter beschikking werd gesteld door hun werkgever;
- De aard van hun functie en taakomschrijvingen bij het Gambiaanse onderzoeksinstituut en diverse krantenartikelen in de Gambiaanse pers bevestigen de noodzakelijke aanwezigheid van de belastingplichtigen in het kader van hun onderzoekswerkzaamheden;
- De aanwezigheid van Gambiaanse verblijfs- en werkvergunningen;
- De stempels op de paspoorten van de belastingplichtigen die wijzen op een veelvuldige aanwezigheid in Gambia;
- De facturen voor water- en elektriciteitsverbruik in Gambia;
- Het televisieabonnement en de facturen voor herstellingswerken en autokosten in Gambia;
- De plaatselijke rijbewijzen en de vaccinatiebewijzen van hun hond in Gambia.
- Een bankrekening in Gambia om te voorzien in de kosten en onderhoud van de belastingplichtigen.
De omstandigheden dat de belastingplichtigen een bankrekening hebben in België waarop hun bezoldigingen worden uitbetaald, dat zij gedetacheerd werden naar Gambia en dat zij regelmatig terugkeerden naar België, doen geen afbreuk aan het werkelijk en duurzaam verblijf van de belastingplichtigen in Gambia.
Bijgevolg besluit het Hof dat het verblijf van de belastingplichtigen in Gambia wordt gekenmerkt door de vereiste bestendigheid of continuïteit, in het bijzonder gelet op hun ononderbroken tewerkstelling als specialisten in de tropische geneeskunde.
Deze rechtspraak illustreert dat belastingplichtigen zich steeds goed bewust moeten zijn van hun fiscaal inwonerschap wanneer zij werken in en/of verhuizen naar het buitenland. Niet enkel het fysieke verblijf en het werk in het buitenland zijn belangrijk, maar ook de plaats waar het gezin woont en waar de belastingplichtige zijn vitale betrekkingen onderhoudt, is een doorslaggevend element. De belastingplichtige dient voorts aandacht te hebben voor zijn uitschrijving uit het rijks- en bevolkingsregister (wat een weerlegbaar vermoeden betreft).
De beoordeling van het fiscaal inwonerschap is bij uitstek een feitelijke beoordeling aan de hand van alle feitelijke elementen en omstandigheden (daarbij kan ook de intentie van de belastingplichtige een belangrijke rol spelen). Het bewijs dat de belastingplichtige geen rijksinwoner (meer) is in België kan met alle middelen en stukken geleverd worden, zoals het besproken arrest duidelijk weergeeft.
Vincent Vercauteren – Partner (vincent.vercauteren@tiberghien.com)
Christophe Dillen – Counsel (christophe.dillen@tiberghien.com)
Tayfun Anil – Associate (tayfun.anil@tiberghien.com)
De zaak Jebsen & Jessen (C-543/19): een toepassing van “form over substance” inzake antidumpingrechten?
In het geannoteerde arrest van 15 oktober 2020 in de zaak Jebsen & Jessen oordeelde het Hof van Justitie over de formele voorwaarden van een vrijstelling inzake antidumpingrechten op Chinees citroenzuur. Met een zeer formalistische houding stelde het Hof dat invoeren van meewerkende exporteurs die bepaalde verbintenissen zijn aangegaan toch niet vrijgesteld zijn van antidumpingrechten wanneer een verbintenisfactuur wordt voorgelegd die naar de verkeerde wettelijke basis verwijst, ook al zijn alle andere voorwaarden van de vrijstelling zonder meer voldaan. Bovendien kan de invoerder achteraf ook geen aanspraak maken op terugbetaling, ook al legt hij hierbij een gecorrigeerde factuur met de juiste verwijzing voor.
Lees hier de volledige bijdrage van Ward Lietaert. Een artikel dat verscheen in Tijdschrift Fiscaal Recht, nr. 599 (april 2021).
Over de beweerdelijke fiscale valsheid in geschriften ter zake fiscale regularisatie
Nieuwe inzichten aangaande de vraag wanneer een aangifte in fiscale regularisatie zich opdringt aan het openbaar vertrouwen.
In een arrest van 19 november 2019 (Cass. P.19.0861.N) oordeelt het Hof van Cassatie over de toepassing van de wet van 27 december 2005 (EBAbis) en de fiscale regularisatie zoals die gold tot 15 juli 2013. In een helder en bondig arrest velt het Hof een duidelijk oordeel over de zogenaamde “partiële regularisaties” dat volledig in overeenstemming is met een ter zake vrijwel unanieme doctrine. Met een zogenaamde “onvolledige regularisatie” is er op zich vanuit fiscaal noch strafrechtelijk oogpunt enig probleem.
Lees hier de uitgebreide uiteenzetting van Gerd D. Goyvaerts en Patrick Waterinckx. Een artikel dat verscheen in Tijdschrift Fiscaal Recht, nr. 599 (maart 2021).
Internationale nalatenschappen en dubbele belasting: het Grondwettelijk Hof spreekt zich uit
Hoe belast België de buitenlandse goederen van zijn onderdanen op het vlak van schenkings- en successierechten1?
Voor wat betreft de successierechten, belast België in principe het wereldwijde vermogen van een overleden Belgisch rijksinwoner.
Teneinde situaties van dubbele belasting in de successierechten te voorkomen, heeft België slechts twee internationale verdragen afgesloten, één met Frankrijk en één met Zweden.
Ongeacht het al dan niet bestaan van een belastingverdrag inzake successierechten, staan de drie gewesten van ons land toe dat er in beperkte mate een verrekening gebeurt van buitenlandse successierechten. Wanneer namelijk de nalatenschap van een rijksinwoner buitenlands onroerend goed bevat dat aanleiding geeft tot heffing van successierecht in het land van de ligging van dat onroerend goed, dan zullen de in België opvorderbare successierechten verminderd worden met het bedrag van de in het buitenland geheven belasting.
Om deze vermindering te bekomen, heeft men twee bewijsstukken nodig: een gedateerd betalingsbewijs van de in het buitenland betaalde rechten alsmede een door de bevoegde buitenlandse autoriteit voor eensluidend verklaard afschrift van de aangifte die zij hebben ontvangen en hun berekening van de buitenlandse belasting. Deze bewijsstukken dienen voorgelegd te worden aan het bevoegde personeelslid van de fiscale administratie bij wie de aangifte van nalatenschap wordt ingediend vóór het verstrijken van de betaaldag van de in België verschuldigde rechten. Indien deze bewijsstukken niet tijdig beschikbaar zijn, kunnen de Belgische successierechten worden teruggevorderd binnen de twee jaar na de betaling ervan.
Deze vermindering, voorzien door de Belgische interne wetgeving, wordt alleen toegekend voor (rechtstreeks) aangehouden buitenlandse onroerende goederen en niet voor buitenlandse roerende goederen, zoals bijvoorbeeld aandelen in buitenlandse vastgoedvennootschappen. Bij gebreke aan een belastingverdrag inzake successierechten kunnen deze activa dus aan een dubbele belasting worden onderworpen. Is dit niet discriminerend? Deze vraag werd bevestigend beantwoord in een arrest dat het Grondwettelijk Hof op 3 juni heeft gewezen (nr. 2021/080) naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof is inderdaad van oordeel dat het discriminerend is dat de in België verschuldigde successierechten niet kunnen worden verminderd met het bedrag van de buitenlandse successierechten geheven op eventuele buitenlandse roerende goederen.
Vraag is hoe de regionale wetgevers zullen reageren op voormelde rechtspraak. Intussen zullen erfgenamen die zich in een dergelijke situatie van dubbele taxatie bevinden argumenten kunnen putten uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
Ook op het vlak van schenkingsrechten, moet een onderscheid worden gemaakt tussen buitenlandse onroerende goederen en buitenlandse roerende goederen die worden aangehouden door Belgische rijksinwoners.
- Met betrekking tot een buitenlands onroerend goed, zal de schenking ervan voor de notaris van de ligging van het goed, in België geen aanleiding geven tot het heffen van schenkingsrechten, noch van successierechten, zelfs in geval van overlijden van de schenker binnen een termijn van 3 jaar na de schenking;
- In geval van schenking van buitenlandse roerende goederen voor een Belgische of buitenlandse notaris (zoals aandelen van een buitenlandse vastgoedvennootschap of liquiditeiten die zich op een buitenlandse bankrekening bevinden), zullen Belgische schenkingsrechten verschuldigd zijn. Sinds 15 december 2020 is het immers verplicht om ook schenkingsakten verleden voor buitenlandse notarissen, in België te registreren, hetgeen aanleiding geeft tot de heffing van Belgische schenkingsrechten (tarief van 3% of 3,3% in rechte lijn naargelang het gewest).
Indien de staat van ligging van deze roerende goederen deze schenking ook zou belasten, bestaat het risico van dubbele belasting. België heeft geen verdrag gesloten ter voorkoming van dubbele belasting met betrekking tot schenkingsrechten en het Belgische interne recht voorziet op vandaag niet in een "belastingkrediet" om een dergelijke situatie te verhelpen.
Wij kunnen de gewestelijke wetgevers dan ook alleen maar aanmoedigen om hun regelgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake successierechten en, bij analogie, inzake schenkingsrechten.
Alain Van Geel - Partner (alain.vangeel@tiberghien.com)
Emilie Van Goidsenhoven - Partner (emilie.vangoidsenhoven@tiberghien.com)
Elisabeth De Nolf - Senior Associate (elisabeth.denolf@tiberghien.com)
Olivia Herbert - Associate (olivia.herbert@tiberghien.com)
1“schenkbelasting” en “erfbelasting” genoemd in het Vlaamse Gewest
FBB op Franse dividenden - Fiscus verduidelijkt de praktische regels voor de terugvordering
In een recente nieuwsbrief werd al gemeld dat de Fiscus zich neerlegt bij het arrest van het Hof van Cassatie van 15 oktober 2020 waarin voor de tweede maal bevestigd wordt dat een Belgische inwoner-particulier op basis van het Belgisch – Frans dubbelbelastingverdrag recht heeft op de verrekening van een forfaitair belastingkrediet van 15 % van het netto-dividend ‘aan de Belgische grens’.
Voor cijfervoorbeelden, waarbij vastgesteld kan worden dat het bedrag van dat krediet verschillend kan zijn naargelang de Franse bronheffing die werd ingehouden, verwijzen wij naar onze eerdere nieuwsbrieven hierover.
Aansluitend op de “berusting” in het cassatie-arrest, heeft de Centrale administratie nu een circulaire gepubliceerd in de vorm van een FAQ (Frequently Asked Questions), die de Belgische particulier wegwijs moet maken in de manier van recuperatie van het FBB (Circulaire 2021/C/49 - FAQ van 28 mei 2021 betreffende het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (FBB) en dividenden van Franse oorsprong)
Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen de kalenderjaren waarin dit Franse dividend geïnd werd.
1. Verhaalmogelijkheden per kalenderjaar
Wij trachten hierna de regels die de Administratie voorstelt, per kalenderjaar samen te vatten.
1.1. Franse dividenden ontvangen in het kalenderjaar 2020
De fiscus stelt eenzelfde manier voor van recuperatie van FBB zowel voor Franse dividenden die eerst in het buitenland geïnd werden en die verplicht aangegeven moeten worden in de aangifte personenbelasting, als voor Franse dividenden die rechtstreeks op een Belgische bankrekening gestort werden en waarop bevrijdende roerende voorheffing werd ingehouden.
Voor beide gevallen stelt de administratie voor om de Franse dividenden “aan te geven in de passende rubrieken van het vak VII (inkomsten van kapitalen en roerende goederen) van de aangifte in de personenbelasting (aanslagjaar 2021), en niet na te laten om ook rubriek F in te vullen (inkomsten waarop een bijzonder aanslagstelsel van toepassing is)”.
De circulaire preciseert echter niet onder welke code(s) van vak VII de dividenden gemeld moeten worden zodat het raadzaam is waakzaam te zijn voor een correcte aangifte om enige discussie hierover te vermijden. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende codes naargelang roerende voorheffing werd ingehouden of niet, en – indien ingehouden – aan welk tarief er werd ingehouden.
1.2. Franse dividenden ontvangen in kalenderjaar 2019
Indien de dividenden in het buitenland geïnd werden en vervolgens verplicht aangegeven werden en er geen verrekening plaatsvond in het betreffende aanslagbiljet, dan kan er een bezwaar ingediend worden binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het aanslagbiljet dat betrekking heeft op de aanslag die de belasting van de dividenden omvat.
Indien de dividenden rechtstreeks op een Belgische rekening werden gestort met inhouding van Belgische RV en niet gemeld werden in de aangifte PB – aanslagjaar 2020, dan zou het FBB nog verrekend kunnen worden indien de dividenden vooralsnog in een aanslag opgenomen worden. In de circulaire wordt het voorbeeld van een wijziging van aangifte vermeld.
Naar onze mening kan hier ook nog een rechtzetting gebeuren door een bezwaar in te dienen tegen het eerder ontvangen aanslagbiljet wegens een vergissing in rechte.
Mocht de bezwaartermijn van 6 maanden en 3 dagen reeds verstreken zijn, dan kan geopteerd worden voor ofwel een ontheffing van ambtswege (artikel 376 WIB 92), ofwel een aanvraag tot terugbetaling in te dienen tegen de ingehouden RV (artikel 368 WIB 92) naargelang de concrete situatie.
1.2.1. Ambtshalve ontheffing (art. 376 WIB 92)
De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen.
Een ambtshalve ontheffing kan gevraagd worden tot vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd. De terugvordering kan dus teruggaan tot inkomstenjaar 2015 in de veronderstelling dat de dividenden dan in 2016 werden aangegeven via de aangifte inzake personenbelasting en de aanslag gevestigd werd in 2017.
In de nieuwe circulaire wordt gemeld dat deze ambtshalve ontheffing niet mogelijk is voor de verrekening van het FBB omdat:
- er geen sprake kan zijn van dubbele belasting die respectievelijk werd geheven in België en in Frankrijk, en
- de uitspraak van het Hof van Cassatie geen nieuw feit is.
Wij menen dat dit standpunt van de administratie voor discussie vatbaar is en dat er toch argumenten ingeroepen kunnen worden om de FBB-verrekening toe te kunnen passen.
Zo kan men bv. in eerste instantie erop wijzen dat zowel het antwoord van de minister van Financiën op de parlementaire vraag nr° 123 van 30 november 2020 van de heer Leysen (Vr. en Antw. Kamer 2020-2021, 27 januari 2021, nr.B0036, 201, vraag nr.123) als de circulaire (2021/C/49 – FAQ) van 28 mei 2021 ingeroepen kunnen worden als nieuwe feiten.
Wat de eventuele dubbele belasting als argument betreft, stelt de administratie dat er geen sprake kan zijn van dubbele heffing omdat het Frans-Belgisch dubbelbelastingverdrag beide staten uitdrukkelijk machtigt om belasting te heffen over deze dividenden. Niettemin kan hiertegen ingeroepen worden dat er toch nog dubbele belasting is in de mate dat er geen FBB-verrekening gebeurde zoals voorzien wordt in dat dubbelbelastingverdrag.
Het standpunt van de belastingautoriteiten is verbazingwekkend daar het ontbreken van een verrekening van het FBB reeds door enkele rechterlijke instanties werd beschouwd als een dubbele heffing die recht geeft op een ambtshalve ontheffing.
1.2.2. Aanvraag tot terugbetaling van ingehouden RV
De circulaire spreekt met geen woord over de mogelijkheid om het FBB te recupereren door middel van een aanvraag tot terugbetaling van ingehouden RV met een terugvraagtermijn van 5 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin de roerende voorheffing gestort is geweest.
Bijgevolg kan een aanvraag tot terugbetaling worden ingediend voor dividenden verkregen sinds 1 januari 2017.
Deze mogelijkheid tot terugbetaling van de teveel ingehouden roerende voorheffing werd bovendien tot tweemaal toe bevestigd door het Hof van Beroep van Gent in het voordeel van de belastingplichtige. Het betreft meer in het bijzonder de arresten van 15 december 2020 en 21 april 2021.
Het feit dat het Belgisch intern recht geen verrekening van FBB voorziet ingeval van toepassing van bevrijdende roerende voorheffing (art. 313 WIB92), zo oordeelt het hof, is namelijk van ondergeschikt belang en kan geen afbreuk doen aan de lezing die aan artikel 19, A1, 2e lid van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag gegeven moet worden, te weten een autonoom recht op verrekening van FBB ongeacht de eventuele beperkingen van Belgisch recht.
Gelet op deze positieve rechtspraak van het Gentse Hof van Beroep, menen wij dat de belastingplichtige zijn rechten kan vrijwaren door de FBB-verrekening te vragen in een aanvraag tot terugbetaling van de inhouding van RV, althans voor zover de andere oplossingen niet meer mogelijk zijn wegens het verstrijken van de aangifte- en/of bezwaartermijn tegen het persoonlijk aanslagbiljet.
1.3. Franse dividenden ontvangen in kalenderjaar 2018 en vroeger
Vermits er waarschijnlijk al meer dan 6 maanden en 3 dagen verlopen zijn sinds de verzending van het aanslagbiljet personenbelasting naar de betrokken belastingplichtige, kan de verrekening enkel nog maar gevraagd worden binnen de langere termijnen van een ambtshalve ontheffing of die van een aanvraag tot terugbetaling van de ingehouden RV.
2. Enkele algemene opmerkingen
2.1. Netto-bedrag voor berekening FBB
In de circulaire wordt bevestigd dat bij toepassing van het nieuwe tarief van Franse bronheffing van 12,8 %, het FBB van 15% berekend wordt op het saldo van 87,2 EUR (in de veronderstelling dat het bruto uitgekeerd dividend 100 is). Op dit bedrag wordt Belgische belasting van 30 % (hetzij 26,16) berekend, waarmee 13,08 FBB verrekend kan worden. Na verrekening van het FBB zal een Belgische particulier bijgevolg 74,12 overhouden. Hierdoor kan men uiteindelijk meer netto overhouden van een Frans dividend dan bijvoorbeeld bij een louter Belgisch dividend (waar het netto 70 is).
2.2. Impact aanvraag vrijstelling van personenbelasting
In de circulaire wordt ook een standpunt ingenomen ten aanzien van de verrekening van het FBB voor dividenden die eveneens onder een andere code aangegeven worden om te genieten van een vrijstelling van personenbelasting (voor een maximumbedrag van 800,00 euro). De FBB-verrekening kan volgens de administratie slechts gebeuren voor dividenden van Franse oorsprong die effectief belast werden (worden) in België. In de mate dat het dividend werd aangegeven voor deze specifieke vrijstelling van personenbelasting, verliest men het recht op FBB.
2.3. Geen automatische rechtzetting andersluidende beslissingen in verleden
Voor dossiers van belastingplichtigen waaromtrent in het verleden reeds een negatieve beslissing genomen werd in een procedure van bezwaar bij de administratie, zal er geen automatische rechtzetting gebeuren op basis van de nieuwe cassatierechtspraak. Zolang de termijn niet is verstreken, kan wel nog een verzoekschrift worden neergelegd bij de rechtbank van eerste aanleg om de situatie recht te zetten.
Vincent Vercauteren - Partner (vincent.vercauteren@tiberghien.com)
Griet Vanden Abeele - Partner (griet.vandenabeele@tiberghien.com)
Dirk Coveliers - Counsel (dirk.coveliers@tiberghien.com)
Yannick Cools - Associate (yannick.cools@tiberghien.com)
Franse fiscus jaagt op Belgen met meerwaarden op aandelen van Franse onroerend goed-vennootschappen
De Franse fiscus heeft de laatste weken en maanden diverse Belgische aandeelhouders (zowel natuurlijke personen als vennootschappen) in gebreke gesteld om alsnog een aangifte in te dienen met betrekking tot meerwaarden op aandelen in een zogenaamde société à prépondérance immobilière, die zij in het verleden (vanaf 2017) realiseerden. Zij meent immers dat zij op grond van het dubbelbelastingverdrag afgesloten tussen België en Frankrijk heffingsbevoegdheid heeft over deze meerwaarden. Eén en ander belooft een zware en onverwachte financiële dobber te worden.