Toon items op tag: Litigation
Franse fiscus jaagt op Belgen met meerwaarden op aandelen van Franse onroerend goed-vennootschappen
De Franse fiscus heeft de laatste weken en maanden diverse Belgische aandeelhouders (zowel natuurlijke personen als vennootschappen) in gebreke gesteld om alsnog een aangifte in te dienen met betrekking tot meerwaarden op aandelen in een zogenaamde société à prépondérance immobilière, die zij in het verleden (vanaf 2017) realiseerden. Zij meent immers dat zij op grond van het dubbelbelastingverdrag afgesloten tussen België en Frankrijk heffingsbevoegdheid heeft over deze meerwaarden. Eén en ander belooft een zware en onverwachte financiële dobber te worden.
COLUMN TRENDS: 'Een verlies erkennen, dat zou pas een belastinghervorming zijn'
Koen Van Duyse bespreekt in zijn columns voor het magazine Trends actuele fiscale onderwerpen met een kritische pen.
'Er wordt veel gesproken over een nakende belastinghervorming. Een verlies erkennen, dat zou pas een hervorming zijn. En daarvoor is geen zware studieronde of nieuwe wetgeving vereist. Als de overheid verklaart dat zij af wil van het traditionele conflictmodel tussen fiscus en belastingplichtige en plaats wil maken voor een consensusmodel, dan zal zij uit een ander vaatje moeten tappen.' Dat zegt Koen Van Duyse, partner bij Tiberghien Advocaten.
UCL-professor Jogchum Vrielink tweette in 2019 naar aanleiding van een vonnis in het hoofddoekendebat verontwaardigd: "Hoe schandalig deloyaal kan procesgedrag worden, als het zo manifest duidelijk is wat men werkelijk moet doen?" In de fiscale praktijk is dat niet ongewoon en voor de buitenlandse aanvullende pensioenen is het zelfs schering en inslag. En het gaat van kwaad naar erger.
Fiscaal betekende dit dat de bijdrage niet langer een werkgeversbijdrage was, maar een persoonlijke bijdrage betaald met privégeld ná belasting. Het principe van de communicerende vaten houdt in dat als iets wordt opgebouwd zonder fiscaal voordeel, de uitkering belastingvrij is. Concreet, het aanvullend pensioen opgebouwd in het buitenland vóór 2004 heeft geen fiscaal voordeel genoten in België en moet dus nu in België vrijgesteld worden van belastingen.
Het Hof van Cassatie heeft dit voor het eerst in 2002 met zoveel woorden bevestigd. Een loyale overheid zou dan de gevolgen moeten aanvaarden. Niet hier natuurlijk. Bijna twintig jaar later zijn er nagenoeg iedere week nog rechterlijke uitspraken nodig om dit af te dwingen, op kosten van al die belastingplichtigen. Hallucinant, ook de wijze waarop.
Geruchten doen de ronde dat men ook overweegt om met een interpretatieve wet de geschiedenis te herschrijven. Het is een raadsel hoe men dat gaat doen, hoe men een wet van 2004 met terugwerkende kracht gaat interpreteren om te zeggen dat het vóór 2004 anders was. Dat is de rechtsstaat onwaardig. De mijnwerkers kregen geen interpretatieve wet om een manifeste berekeningsfout van de overheid over hun pensioenen te corrigeren. Maar als de overheid te weinig belastingen int, komt een interpretatieve wet vlotjes aan bod.
Dit artikel verscheen op 01/06/2021 voor Trends Money Talk. U kan het bronbestand hier raadplegen.
Fraudeurs van Vlaamse belastingen worden voortaan zwaarder gesanctioneerd: verhoging strafrechtelijke geldboetes in de Vlaamse Codex Fiscaliteit en bijgevolg ook de geldsom bij minnelijke schikkingen
Middels decreet van 2 april 2021 houdende diverse technische wijzingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit1 werd een reeks technische en inhoudelijke aanpassingen aangebracht aan de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), waaronder de forse verhoging van de strafrechtelijke geldboeten. Vooreerst werden de wettelijk voorziene maximumgeldboeten aangepast aan de geldboetes die gelden in de andere gewesten. Concreet impliceert dit dat alle maximumboeten van 125.000 euro of 12.500 euro opgetrokken werden tot 500.000 euro.
FBB op Franse dividenden: is driemaal Cassatie scheepsrecht?
:: UPDATE - 09/06/2021 ::
Het Hof van Cassatie heeft zich inmiddels tweemaal uitgesproken over de verrekening van een minimaal belastingkrediet voor dividenden van Franse oorsprong (Cass. 16 juni 2017 en 15 oktober 2020). Deze arresten en de problematiek dienaangaande werden reeds uitgebreid besproken in onze eerdere nieuwsbrieven. Klik hier voor onze nieuwsbrief van 27 november 2020 en hier voor deze van 16 januari 2020.
Tot voor kort weigerde de belastingadministratie standvastig om zich te schikken naar de visie van het Hof. Inmiddels bevestigde de minister van Financiën in een antwoord op een parlementaire vraag dd. 27 januari 2021, dat de Administratie zich neerlegt bij de rechtspraak van het Hof, waarbij particuliere beleggers zich aldus zullen kunnen beroepen op de verrekening van het FBB over de belasting die wordt geheven op dividenden van Franse oorsprong. De minister bevestigde hierbij uitdrukkelijk dat de aangifte in de personenbelasting in het vak VII – inkomsten van kapitalen en roerende goederen, een rubriek F zal bevatten waarin specifiek de inkomsten worden vermeld waarop een bijzonder aanslagstelsel van toepassing is, bijvoorbeeld overeenkomstig specifieke bepalingen als voorzien in bepaalde internationale verdragen.
In de praktijk blijkt echter dat Adviseurs-Generaal in bepaalde gevallen voet bij stuk houden en de verrekening van het FBB weigeren, omdat zij van oordeel zijn dat de verrekening van het FBB niet kan worden toegestaan indien er toepassing wordt gemaakt van de bevrijdende roerende voorheffing (en waarin de Franse dividenden aldus niet op het aangifteformulier van de personenbelasting zijn vermeld). De minister van Financiën heeft zich echter niet expliciet uitgesproken over deze gevallen.
Deze weigering werd recent verworpen door het Hof van Beroep te Gent.
Inmiddels vernamen wij dat de Belgische Staat, voor een derde maal weliswaar, voornemens is om een cassatievoorziening in te stellen inzake deze problematiek. Wij vermoeden hierbij dat de voorziening zal worden toegespitst op toepassing van het FBB in gevallen waar er sprake is van bevrijdende roerende voorheffing.
Belastingplichtigen die met dit probleem worden geconfronteerd, kunnen het FBB voor Franse dividenden die zij in 2020 ontvangen hebben, laten verrekenen via hun aangifte PB voor aanslagjaar 2021. Voor de dividenden ontvangen in 2019, kunnen zij de toepassing van het FBB nog vragen via een bezwaarschrift, althans indien de bezwaartermijn daarvoor nog niet verstreken is. Voor de dividenden ontvangen voor het jaar 2019, kan getracht worden om het FBB nog te verkrijgen via een ambtshalve ontheffing, ofschoon de kans groot is dat de fiscus deze vraag zal verwerpen op grond van het feit dat het arrest van het Hof van Cassatie voor hem geen nieuw feit uitmaakt en er volgens hem ook geen sprake is van dubbele heffing.
Hiervoor zal een gerechtelijke procedure overwogen moeten worden.
Voor verdere informatie, lees ook het vervolgartikel over de recent gepubliceerde administratieve circulaire over de terugvorderingsmogelijkheden, alsook het artikel hierover op Investment Officer.
Voor verdere vragen, kan u zich richten tot de auteurs van deze publicatie.
Dirk Coveliers - Counsel (dirk.coveliers@tiberghien.com)
Olja Rudic - Associate (olja.rudic@tiberghien.com)
E-mails naar de fiscus: een correspondentie met Oblomov*?
De Belgische fiscale Administratie deelt de laatste tijd in haar correspondentie aan belastingplichtigen mee dat een antwoordformulier, zoals bijvoorbeeld een antwoord op vraag om inlichtingen of een bericht van wijziging, uitsluitend per brief of via het digitaal platform MyMinfin kan worden ingediend. In deze correspondentie bevestigt de Administratie uitdrukkelijk dat antwoorden via e-mail niet langer aanvaard zullen worden. In een reactie op het beantwoorden van een vraag om inlichtingen per e-mail, deelde de Administratie mee dat de GDPR-wetgeving (General Data Protection Regulation) er aan in de weg zou staan dat belastingplichtigen persoonlijke gegevens via e-mail aan de fiscus overmaken. Deze problematiek werpt echter heel wat vragen op.
(*naar Oblomov, het hoofdpersonage van de gelijkluidende roman van Ivan Gontsjarov, die worstelde met een levensverwoestende fobie voor post.)
Bestaat er een wettelijke verplichting om briefwisseling van de Administratie uitsluitend te beantwoorden per brief dan wel via MyMinfin?
Er bestaat géén wettelijke verplichting om briefwisseling van de Administratie uitsluitend te beantwoorden per brief dan wel via MyMinfin. De fiscale wetgeving schrijft enkel voor dat correspondentie schriftelijk dient te gebeuren, maar specifieert geenszins op welke wijze dit verplichtend zou zijn.
Op 21 januari 2021 werd evenwel een wetsontwerp goedgekeurd inzake de “dematerialisatie van de relaties tussen de FOD Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten” (Parl. St. Kamer 2020-21, nr. 55-1697/0041). Met deze wetswijziging beoogt de wetgever een paperless Administratie in te voeren, waarbij de correspondentie met de FOD Financiën uitsluitend via een beveiligd elektronisch platform zou plaatsvinden (de zgn. eBox). De inwerkingtreding van deze eBox is voorzien vanaf 1 januari 2025. Hoewel het wetsontwerp voorschrijft dat de Koning de bevoegdheid wordt verleend om in een gefaseerde inwerkingtreding te voorzien, is dit op heden geenszins het geval. Bovendien kunnen momenteel berichten in de eBox uitsluitend worden ingezien en kan er niet worden gereageerd op briefwisseling vanwege de FOD (cf. mededeling op www.myebox.be).
De mededeling vanwege de Administratie dat briefwisseling per e-mail niet meer wordt aanvaard is daarom mogelijks louter een interne instructie, weliswaar zonder wettelijke grondslag, van bepaalde administratieve diensten.
Wat met de GDPR-wetgeving?
De FOD Financiën werd zeer recent, t.w. op 23 december 2020, door de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) berispt met betrekking tot het gebruik van het Fisconetplus-platform. Dit platform werd ontwikkeld via een digitale tool, beheerd door Microsoft. Gebruikers moesten daarom verplicht een Microsoftaccount aanmaken teneinde toegang te verkrijgen tot Fisconetplus, waarbij ze ervoor konden opteren om zich aan te melden via een anoniem Microsoftaccount. De GBA stelde te meer vast dat de FOD Financiën inbreuken pleegde op haar transparantieplicht en eerlijkheid, door haar gebruikers te verzekeren dat er geen gegevens verwerkt werden in de anonieme accounts terwijl dat wel degelijk het geval was.
Bovenvermelde berisping heeft mogelijks een grotere alertheid teweeggebracht bij de FOD Financiën aangaande het gebruik en de verwerking van persoonsgegevens van haar gebruikers. De GDPR-wetgeving belet echter niet dat belastingplichtigen uit eigen beweging e-mails met persoonsgegevens versturen naar belastingambtenaren.
Praktische problemen
De praktijk leert dat niet iedereen toegang heeft tot digitale platformen, zoals bijvoorbeeld MyMinfin. Niet alleen denken we hierbij aan de digitale generatiekloof, maar ook aan volmachthouders van belastingplichtigen zoals bijvoorbeeld accountants, advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders, curatoren, financiële instellingen, … Aangezien inloggen op MyMinfin doorgaans gebeurt met de elektronische identiteitskaart van de belastingplichtige zelf, hebben volmachthouders hier niet zonder meer toegang toe namens belastingplichtigen.
De werking van het MyMinfin platform blijkt daarnaast in de praktijk omslachtig. In eerste instantie dient een volmachthouder een afzonderlijk mandaat te verkrijgen om belastingaangiftes elektronisch via Tax-on-web in te dienen. Daarnaast moet de volmachthouder ook worden gemandateerd teneinde toegang te verkrijgen tot documenten en de diensten gelinkt aan het fiscaal dossier van belastingplichtigen (bv. fiscale fiches, kadastrale gegevens, details voorafbetalingen, CRS en FATCA inlichtingen, etc.). De volmachthouder dient bovendien in het bezit te zijn van afzonderlijke volmachten voor dezelfde belastingplichtige zoals bijvoorbeeld inzake de personenbelasting, dan wel de vennootschapsbelasting, of nog inzake btw. Ook het opladen van bestanden op het platform blijkt in de praktijk geen sinecure, daar alle bestanden moeten worden samengevoegd en een specifieke benaming moeten krijgen.
In tijden van de coronapandemie is de verzending per post dan weer ongerieflijk. Als MyMinfin in dat geval als enige alternatief fungeert, dan wordt briefwisseling met de Administratie aanzienlijk beperkt, minstens voor bepaalde groepen van de bevolking.
Advocaten dienen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld accountants, in hun correspondentie met de fiscale administratie geen volmacht/mandaat aan te tonen. Dit wordt bevestigd door de fiscale Administratie in haar Commentaren. Wanneer een advocaat in naam en voor rekening van een belastingplichtige een bezwaarschrift indient, moet er worden aangenomen dat er werkelijk een mandaat werd verleend (Nummer 366/9).
Kan ik nog een ontvankelijk bezwaarschrift indienen tegen een aanslag via e-mail?
De mededeling van de Administratie verwijst uitsluitend naar “antwoordformulieren”, waardoor bezwaarschriften hier niet onder zouden vallen. Een bezwaarschrift is immers geen “antwoord” sensu stricto, maar een betwisting van een gevestigde aanslag. Op heden bestaat hier geen duidelijkheid over.
Wat als het systeem hapert op het ogenblik dat een vervaltermijn dreigt te verstrijken?
Tot slot rest er nog de vraag wat de opties zijn voor een belastingplichtige indien MyMinfin hapert en een vervaltermijn dreigt te verstrijken.
Deze week nog waren de platformen zoals MyMinfin en Tax-on-web enkele uren buiten werking na een ongeziene cyberaanval. Bij deze aanval werden alle instellingen die op het Belnet-netwerk zijn aangesloten getroffen, waaronder overheidsdiensten, universiteiten en onderzoeksinstellingen.
Wanneer een vervaltermijn dreigt te verstrijken, dan is bovendien een verzending per post geen optie meer. Indien correspondentie per e-mail ook in dat geval wordt uitgesloten, worden de mogelijkheden van belastingplichtigen aanzienlijk ingeperkt.
Voor meer informatie kan u ons steeds contacteren.
Céline Van houte - Counsel (celine.vanhoute@tiberghien.com)
Olja Rudic - Associate (olja.rudic@tiberghien.com)
Woning bestuurder in vennootschap: verwerping kosten ondanks hoge huurvergoeding
Zijn de kosten die een vennootschap maakt voor haar onroerend goed aftrekbaar als beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB92? Betwistingen over de al dan niet aftrekbaarheid van deze kosten zijn alomtegenwoordig – zowel in de administratieve fase als in de gerechtelijke fase trekken talrijke belastingplichtigen ten strijde tegen de fiscale administratie. Vermeldenswaardig is hierbij een arrest dd. 5 januari 2021 van het Hof van Beroep te Antwerpen (A.R. 2019/AR/1092).
Het Hof van Beroep te Antwerpen diende zich uit te spreken in een zaak m.b.t. de aanvaarding/verwerping van verschillende kosten van een woning in een vennootschap op basis van artikel 49 WIB92: zijn deze kosten gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden?
Concreet betaalde de bestuurder via rekening-courant een jaarlijkse huurvergoeding van ong. 70.000,00 EUR (o.b.v. de forfaitaire waardering VAA voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning) voor het privégebruik (85%) van een woning die de vennootschap van de bestuurder destijds (in 1997) in volle eigendom had aangekocht. De vennootschap was aldus volle eigenaar van de woning die voor 85% ter beschikking werd gesteld aan de bestuurder en voor 15 % beroepsmatig werd gebruikt. Dit % privé-/beroepsgebruik werd niet betwist door de fiscale administratie.
Vooreerst oordeelt het Hof van Beroep te Antwerpen dat het gegeven dat de afschrijvingen op de kosten van aankoop van de woning (in 1997) en eerdere renovatiewerken in aftrek werden aanvaard, irrelevant is voor de beoordeling van de aftrek van andere latere welbepaalde investeringskosten die werden gedaan (concreet had de betwisting betrekking op de aanslagjaren 2014 en 2015).
Wat betreft de aanvaarding van deze verschillende latere investeringen in de vennootschap oordeelde het Hof van Beroep als volgt:
- Het enkele feit dat de vennootschap volle eigenaar is van de woning, en dat de bestuurder een jaarlijkse huurvergoeding betaalt voor het privégebruik (85%), volstaat niet om te besluiten dat zonder meer alle kosten en investeringen m.b.t. de woning aftrekbaar zijn cf. artikel 49 WIB92.
- Een recent aanvaarde piste in de rechtspraak, nl. die van de meerwaardecreatie die een vennootschap op termijn kan boeken bij de toekomstige verkoop van het onroerend goed, wordt eveneens door het Hof geweigerd, aangezien die meerwaarde louter hypothetisch is.
- Daarnaast beoordeelde het Hof de verschillende soorten kosten die de vennootschap had gemaakt, als volgt:
- Investeringen die uitsluitend de persoonlijke belangen van de bestuurder ten goede komen (vb. afdekking zwembad, renovatie badkamers en fitnessruimte), komen niet voor aftrekbare afschrijving in aanmerking.
- Voor werken die ook het privé-gedeelte ten goede kwamen zonder dat die werken invloed hebben op de omvang van de huurvergoeding (vb. aanpassing alarmsysteem, plaatsen van buitenverlichting, cameranetwerk, en videofoonsysteem), worden de kosten aanvaard ten belope van het beroepsgedeelte (aldus 15%).
- Voor werken die structureel van aard zijn (vb. funderings- en dakwerken), worden de kosten ook maar aanvaard ten belope van het beroepsgedeelte (15%).
Bovenstaande rechtspraak toont aan belastingplichtige steeds dient na te gaan bij het uitvoeren van bepaalde (investerings)werken m.b.t. een woning in een vennootschap of deze kosten aanvaardbaar zijn als aftrekbare beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB92 (in de ruimere zin: of de BTW op deze kosten/investeringen in aanmerking komen voor BTW-aftrek). Volgens het Hof is het niet omdat de fiscale administratie in het verleden bepaalde kosten heeft aanvaard (volgens een bepaald %) dat dit een vrijgeleide is voor de latere kosten die nog zullen worden gemaakt – zij het minstens een vertrouwen zou moeten wekken ten aanzien van de administratie als het gaat om gelijkaardige kosten/investeringen.
Bijzonder is wel dat deze kosten niet worden aanvaard, hoewel de vennootschap toch een omvangrijke jaarlijkse huurvergoeding van 70.000 EUR ontvangt voor het privégebruik van de woning (85%), oftewel bijna 5.850 EUR per maand – hetgeen toch een belastbaar inkomen is voor de vennootschap zoals vereist door artikel 49 WIB92 (ongeacht of deze vergoeding de gedane kosten/investeringen nu dekt of niet – enige opportuniteitsbeoordeling bij de toepassing van artikel 49 WIB92 is nochtans verboden)… .
Ellen Vandingenen – Senior Associate (ellen.vandingenen@tiberghien.com)
Stevo Gatsos – Associate (stevo.gatsos@tiberghien.com)
Boekenonderzoek: in de toekomst zonder verplaatsing mogelijk?
1. Een belastingplichtige is verplicht om op verzoek van de fiscale administratie alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen (cf. artikel 315 WIB92). Eenzelfde bepaling geldt inzake btw: daar is eenieder gehouden om de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken (of hun kopieën) die moeten worden bewaard, op ieder verzoek van de btw-administratie, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de btw in hoofde van de btw-plichtige of in hoofde van derden te kunnen nagaan (cf. artikel 61, §1 W.BTW.).
Fiscale visitatie vs. vertrouwelijke gegevens/recht op privacy: een match of mismatch in de recente rechtspraak?
Kan de fiscus een kopiename van vertrouwelijke briefwisseling en/of privégegevens op elektronische dragers verantwoorden in het kader van haar visitatierecht? Het is en blijft een vraag waarop geen eenduidig antwoord kan worden gegeven – zoals blijkt uit recente rechtspraak.
Over de vereiste van effectieve fysieke aanwezigheid in het licht van artikel 15 Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag
Het hof van beroep van Brussel heeft op 15 mei 2019 een interessant arrest geveld inzake de toepassing van artikel 15 van het Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag. Het arrest is op een aantal vlakken merkwaardig en interessant voor de praktijk.
Lees hier uitgebreid over dit onderwerp, in een publicatie die verscheen in Tijdschrift voor Fiscaal Recht, nr. 590
Voordeel van alle aard – Bal terug in het kamp van de hoven en rechtbanken
De interpretatie dat de ongrondwettigheid van een reglementaire fiscale bepaling geen “nieuw feit” is voor de ontheffing van ambtswege, schendt het gelijkheidbeginsel niet, dixit Grondwettelijk Hof.