Toon items op tag: International Tax
Niet-aangifte van roerende inkomsten en buitenlandse rekeningen is nog niet noodzakelijk fraude
Vele belastingplichtigen ontvangen nu en dan eens een vraag om inlichtingen vanwege de fiscale administratie in het kader van de internationale uitwisseling van informatie, waaruit zou blijken dat die belastingplichtigen hun buitenlandse roerende inkomsten niet (volledig) hebben aangegeven en/of noch het bestaan van de buitenlandse bankrekening(en) hebben gemeld in hun aangiften in de personenbelasting. Kan uit die niet-aangifte van die buitenlandse roerende inkomsten en/of buitenlandse bankrekeningen een aanwijzing van fraude worden afgeleid dewelke een belastingverhoging van minstens 50% verantwoorden?
De fiscale administratie is doorgaans van mening dat er in die situatie sprake is van fraude die een belastingverhoging van 50% rechtvaardigt omwille van een onvolledige of onjuiste aangifte met het opzet de belasting te ontduiken (ingeval van eerste overtreding) (cf. artikel 444 WIB92 juncto artikel 226.C. KB/WIB92). Wordt volgens de administratie beschouwd als fiscale fraude, het gedrag van de belastingplichtige met als doel de fiscale administratie te misleiden om er een onwettig voordeel uit te halen, zoals het niet betalen van belastingen die wettelijk verschuldigd zijn op die inkomsten onderworpen aan dergelijke belasting. Belasting ontduiken bestaat daarbij uit twee elementen: 1) een materieel element (de inbreuk op een fiscale wet), en 2) een intentioneel element (de inbreuk begaan om te ontsnappen aan de wettelijk verschuldigde belasting). Wat ook het bedrag is van de ontdoken belastingen m.b.t. roerende inkomsten, professionele inkomsten en/of inkomsten van ongekende origine, kan het overbrengen van kapitalen naar het buitenland zonder er de opbrengsten van aan te geven, bezwaarlijk een vergetelheid, materiële vergissing of een onjuistheid worden genoemd die te goeder trouw werd begaan, d.i. beweringen die het tegenovergestelde zijn van bedrieglijk opzet. In dergelijke zaken verwijst de fiscale administratie standaard naar een vonnis dd. 14 maart 2013 van de rechtbank van eerste aanleg te Namen (R.G. 2384/10) waarbij de toepassing van een belastingverhoging van 50% wordt bevestigd door te oordelen dat het bedrieglijk opzet is aangetoond wanneer de belastingplichtige kapitalen naar het buitenland heeft gebracht, zonder hiervan de opbrengsten aan te geven.
In een recent vonnis heeft de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen op 3 mei 2021 (A.R. 20/1393/A) echter geoordeeld dat fraude niet steeds in het spel hoeft te zijn.
De belastingplichtigen in kwestie maakten geen melding van hun buitenlandse roerende inkomsten noch van het bestaan van buitenlandse bankrekeningen (Duitsland en Nederland) in hun aangiften in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2013 t.e.m. 2018. Nadat de fiscale administratie, in het kader van de automatische gegevensuitwisseling, inlichtingen van de Duitse en Nederlandse administratie had ontvangen, werden supplementaire aanslagen gevestigd met toepassing van een belastingverhoging van 50%. Volgens de fiscale administratie hebben de belastingplichtigen bewust de fiscale administratie trachten te misleiden d.m.v. een foutieve en onjuiste aangifte.
De rechtbank oordeelt echter dat het enkele feit dat herhaaldelijk geen aangifte werd gedaan van inkomsten, zelfs al zijn deze aanzienlijk, op zichzelf onvoldoende is als bewijs van enig bedrieglijk opzet. Het is aan de fiscale administratie om aan te tonen dat er sprake is van bedrieglijk opzet.
Hoewel niet wordt betwist dat belastingplichtigen de buitenlandse roerende inkomsten niet hebben aangegeven, kan hieruit niet zonder meer afgeleid worden dat er sprake is van opzet om belastingen te ontduiken. Ook het feit dat belastingplichtigen gedurende meerdere jaren die inkomsten niet zouden hebben aangegeven, impliceert niet dat zij noodzakelijk met bedrieglijk opzet hebben gehandeld. Fraude wordt nu eenmaal niet vermoed. Een bijzonder opzet is vereist. De fiscale administratie legt geen enkel concreet element voor waaruit zou blijken dat belastingplichtigen de fiscale administratie bewust misleid zouden hebben. Gelet op de concrete omstandigheden (belastingplichtigen zouden uit onwetendheid hebben gehandeld) oordeelt de rechtbank dat de belastingverhoging dient herleid te worden naar 10%.
Afhankelijk van de concrete omstandigheden is de standaard toepassing van een belastingverhoging van 50% (met aldus fraude-connotatie) op basis van voornoemde rechtspraak aldus niet zomaar te aanvaarden en bijgevolg mogelijks aanvechtbaar.
Voor meer informatie kan u terecht bij:
Ellen Vandingenen – Senior Associate (ellen.vandingenen@tiberghien.com)
Stevo Gatsos – Associate (stevo.gatsos@tiberghien.com)
Hoe kan een belastingplichtige het bewijs leveren dat hij geen fiscaal inwoner (meer) is in België?
Een natuurlijke persoon is onderworpen aan de Belgische personenbelasting indien hij een fiscaal inwoner van België is. In de praktijk rijzen omtrent dit fiscaal inwonerschap regelmatig discussies tussen belastingplichtigen, die menen dat zij geen fiscaal inwoner (meer) zijn, en de fiscale administratie. Hierbij is het cruciaal voor de belastingplichtige om het bewijs te leveren dat hij of zij geen fiscaal inwoner in België (meer) is. Een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 23 juni 2020 (nr. 2019/AR/407) werpt een interessante blik op de bewijsmogelijkheden voor een natuurlijke persoon om te bewijzen dat zijn fiscaal inwonerschap niet (meer) in België ligt.
Twee echtgenoten woonden tot 2011 in België in het kader van hun beroepswerkzaamheid als specialisten in de tropische geneeskunde bij een onderzoeksinstituut. In 2011 werd de man van het koppel naar Gambia gedetacheerd om daar als onderzoeker-specialist te werken bij de Gambiaanse afdeling van het onderzoeksinstituut. In 2012 verhuisde ook mevrouw naar Gambia om in een soortgelijke functie te werken bij hetzelfde instituut. De belastingadministratie meende in 2015 evenwel dat het fiscaal inwonerschap van het echtpaar (nog steeds) in België lag n.a.v. een controle over de onroerende goederen op naam van de echtgenoten. Het echtpaar behield een woning in België en keerde regelmatig terug naar België. Hun bezoldigingen werden eveneens in België uitbetaald.
Vooreerst haalt het Hof de algemene toepasselijke bepalingen aan. Een natuurlijke persoon is onderworpen aan de Belgische personenbelasting indien hij zijn woonplaats in België gevestigd heeft of, indien hij geen woonplaats heeft in België, zijn zetel van fortuin zich in België bevindt. Aangezien de belastingplichtigen ingeschreven waren in het rijksregister tot 2018, ontstond een weerlegbaar wettelijk vermoeden dat zij hun woonplaats of zetel van fortuin in België hadden. De belastingplichtigen dienden m.a.w. het tegenbewijs te leveren dat hun fiscale woonplaats niet in België gelegen was.
Het Hof verwijst in zijn arrest regelmatig naar de administratieve circulaire omtrent het begrip “rijksinwoner” (Circulaire Ci.RH.241/585.607 d.d. 12 juli 2007). In deze circulaire verduidelijkt de administratie dat het tegenbewijs inzonderheid moet blijken uit de feitelijke omstandigheden die het verblijf in het buitenland kenmerken. Het Hof haalt vervolgens aan wat onder “woonplaats” dient te worden verstaan, met name de feitelijke woonplaats die noodzakelijkerwijze gekenmerkt wordt door een bepaalde bestendigheid of continuïteit. De zetel van fortuin is dan weer de plaats van waaruit het vermogen beheerd wordt. Om te beoordelen waar iemand zijn woonplaats heeft, moet worden nagegaan waar de persoon vast verblijft, waar zijn gezin gevestigd is en waar hij de vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt (sociaal, cultureel, …), aldus het Hof.
Hoewel de belastingwoonplaats de plaats is waar een natuurlijke persoon effectief en duurzaam verblijft, met andere woorden waar hij leeft en werkt, meent het Hof ook rekening te moeten houden met de evoluties in de samenleving en de economie. Het komt immers meer en meer voor dat een persoon zijn beroepsbezigheden niet uitoefent in hetzelfde land als dat waarin zijn gezin gehuisvest is en waar hij zijn vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt. In dit geval moeten de verschillende constitutieve bestanddelen van de belastingwoonplaats tegenover elkaar worden afgewogen, waarbij uiteraard meer belang moet worden gehecht aan het centrum van de huishoudelijke en vitale betrekkingen dan aan de plaats van het verblijf en van de beroepswerkzaamheden, aldus het Hof. De belastingwoonplaats wordt immers bepaald door het feit van de woning en meer in het bijzonder van de woning waar het gezin is gevestigd.
Het Hof bevestigt het standpunt van de belastingplichtigen en oordeelt dat zij geen fiscale inwoners meer waren na hun tewerkstelling in en verhuis naar Gambia op basis van de volgende overwegingen:
- De belastingplichtigen betrokken een woning in Gambia die ter beschikking werd gesteld door hun werkgever;
- De aard van hun functie en taakomschrijvingen bij het Gambiaanse onderzoeksinstituut en diverse krantenartikelen in de Gambiaanse pers bevestigen de noodzakelijke aanwezigheid van de belastingplichtigen in het kader van hun onderzoekswerkzaamheden;
- De aanwezigheid van Gambiaanse verblijfs- en werkvergunningen;
- De stempels op de paspoorten van de belastingplichtigen die wijzen op een veelvuldige aanwezigheid in Gambia;
- De facturen voor water- en elektriciteitsverbruik in Gambia;
- Het televisieabonnement en de facturen voor herstellingswerken en autokosten in Gambia;
- De plaatselijke rijbewijzen en de vaccinatiebewijzen van hun hond in Gambia.
- Een bankrekening in Gambia om te voorzien in de kosten en onderhoud van de belastingplichtigen.
De omstandigheden dat de belastingplichtigen een bankrekening hebben in België waarop hun bezoldigingen worden uitbetaald, dat zij gedetacheerd werden naar Gambia en dat zij regelmatig terugkeerden naar België, doen geen afbreuk aan het werkelijk en duurzaam verblijf van de belastingplichtigen in Gambia.
Bijgevolg besluit het Hof dat het verblijf van de belastingplichtigen in Gambia wordt gekenmerkt door de vereiste bestendigheid of continuïteit, in het bijzonder gelet op hun ononderbroken tewerkstelling als specialisten in de tropische geneeskunde.
Deze rechtspraak illustreert dat belastingplichtigen zich steeds goed bewust moeten zijn van hun fiscaal inwonerschap wanneer zij werken in en/of verhuizen naar het buitenland. Niet enkel het fysieke verblijf en het werk in het buitenland zijn belangrijk, maar ook de plaats waar het gezin woont en waar de belastingplichtige zijn vitale betrekkingen onderhoudt, is een doorslaggevend element. De belastingplichtige dient voorts aandacht te hebben voor zijn uitschrijving uit het rijks- en bevolkingsregister (wat een weerlegbaar vermoeden betreft).
De beoordeling van het fiscaal inwonerschap is bij uitstek een feitelijke beoordeling aan de hand van alle feitelijke elementen en omstandigheden (daarbij kan ook de intentie van de belastingplichtige een belangrijke rol spelen). Het bewijs dat de belastingplichtige geen rijksinwoner (meer) is in België kan met alle middelen en stukken geleverd worden, zoals het besproken arrest duidelijk weergeeft.
Vincent Vercauteren – Partner (vincent.vercauteren@tiberghien.com)
Christophe Dillen – Counsel (christophe.dillen@tiberghien.com)
Tayfun Anil – Associate (tayfun.anil@tiberghien.com)
De zaak Jebsen & Jessen (C-543/19): een toepassing van “form over substance” inzake antidumpingrechten?
In het geannoteerde arrest van 15 oktober 2020 in de zaak Jebsen & Jessen oordeelde het Hof van Justitie over de formele voorwaarden van een vrijstelling inzake antidumpingrechten op Chinees citroenzuur. Met een zeer formalistische houding stelde het Hof dat invoeren van meewerkende exporteurs die bepaalde verbintenissen zijn aangegaan toch niet vrijgesteld zijn van antidumpingrechten wanneer een verbintenisfactuur wordt voorgelegd die naar de verkeerde wettelijke basis verwijst, ook al zijn alle andere voorwaarden van de vrijstelling zonder meer voldaan. Bovendien kan de invoerder achteraf ook geen aanspraak maken op terugbetaling, ook al legt hij hierbij een gecorrigeerde factuur met de juiste verwijzing voor.
Lees hier de volledige bijdrage van Ward Lietaert. Een artikel dat verscheen in Tijdschrift Fiscaal Recht, nr. 599 (april 2021).
Internationale nalatenschappen en dubbele belasting: het Grondwettelijk Hof spreekt zich uit
Hoe belast België de buitenlandse goederen van zijn onderdanen op het vlak van schenkings- en successierechten1?
Voor wat betreft de successierechten, belast België in principe het wereldwijde vermogen van een overleden Belgisch rijksinwoner.
Teneinde situaties van dubbele belasting in de successierechten te voorkomen, heeft België slechts twee internationale verdragen afgesloten, één met Frankrijk en één met Zweden.
Ongeacht het al dan niet bestaan van een belastingverdrag inzake successierechten, staan de drie gewesten van ons land toe dat er in beperkte mate een verrekening gebeurt van buitenlandse successierechten. Wanneer namelijk de nalatenschap van een rijksinwoner buitenlands onroerend goed bevat dat aanleiding geeft tot heffing van successierecht in het land van de ligging van dat onroerend goed, dan zullen de in België opvorderbare successierechten verminderd worden met het bedrag van de in het buitenland geheven belasting.
Om deze vermindering te bekomen, heeft men twee bewijsstukken nodig: een gedateerd betalingsbewijs van de in het buitenland betaalde rechten alsmede een door de bevoegde buitenlandse autoriteit voor eensluidend verklaard afschrift van de aangifte die zij hebben ontvangen en hun berekening van de buitenlandse belasting. Deze bewijsstukken dienen voorgelegd te worden aan het bevoegde personeelslid van de fiscale administratie bij wie de aangifte van nalatenschap wordt ingediend vóór het verstrijken van de betaaldag van de in België verschuldigde rechten. Indien deze bewijsstukken niet tijdig beschikbaar zijn, kunnen de Belgische successierechten worden teruggevorderd binnen de twee jaar na de betaling ervan.
Deze vermindering, voorzien door de Belgische interne wetgeving, wordt alleen toegekend voor (rechtstreeks) aangehouden buitenlandse onroerende goederen en niet voor buitenlandse roerende goederen, zoals bijvoorbeeld aandelen in buitenlandse vastgoedvennootschappen. Bij gebreke aan een belastingverdrag inzake successierechten kunnen deze activa dus aan een dubbele belasting worden onderworpen. Is dit niet discriminerend? Deze vraag werd bevestigend beantwoord in een arrest dat het Grondwettelijk Hof op 3 juni heeft gewezen (nr. 2021/080) naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof is inderdaad van oordeel dat het discriminerend is dat de in België verschuldigde successierechten niet kunnen worden verminderd met het bedrag van de buitenlandse successierechten geheven op eventuele buitenlandse roerende goederen.
Vraag is hoe de regionale wetgevers zullen reageren op voormelde rechtspraak. Intussen zullen erfgenamen die zich in een dergelijke situatie van dubbele taxatie bevinden argumenten kunnen putten uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
Ook op het vlak van schenkingsrechten, moet een onderscheid worden gemaakt tussen buitenlandse onroerende goederen en buitenlandse roerende goederen die worden aangehouden door Belgische rijksinwoners.
- Met betrekking tot een buitenlands onroerend goed, zal de schenking ervan voor de notaris van de ligging van het goed, in België geen aanleiding geven tot het heffen van schenkingsrechten, noch van successierechten, zelfs in geval van overlijden van de schenker binnen een termijn van 3 jaar na de schenking;
- In geval van schenking van buitenlandse roerende goederen voor een Belgische of buitenlandse notaris (zoals aandelen van een buitenlandse vastgoedvennootschap of liquiditeiten die zich op een buitenlandse bankrekening bevinden), zullen Belgische schenkingsrechten verschuldigd zijn. Sinds 15 december 2020 is het immers verplicht om ook schenkingsakten verleden voor buitenlandse notarissen, in België te registreren, hetgeen aanleiding geeft tot de heffing van Belgische schenkingsrechten (tarief van 3% of 3,3% in rechte lijn naargelang het gewest).
Indien de staat van ligging van deze roerende goederen deze schenking ook zou belasten, bestaat het risico van dubbele belasting. België heeft geen verdrag gesloten ter voorkoming van dubbele belasting met betrekking tot schenkingsrechten en het Belgische interne recht voorziet op vandaag niet in een "belastingkrediet" om een dergelijke situatie te verhelpen.
Wij kunnen de gewestelijke wetgevers dan ook alleen maar aanmoedigen om hun regelgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake successierechten en, bij analogie, inzake schenkingsrechten.
Alain Van Geel - Partner (alain.vangeel@tiberghien.com)
Emilie Van Goidsenhoven - Partner (emilie.vangoidsenhoven@tiberghien.com)
Elisabeth De Nolf - Senior Associate (elisabeth.denolf@tiberghien.com)
Olivia Herbert - Associate (olivia.herbert@tiberghien.com)
1“schenkbelasting” en “erfbelasting” genoemd in het Vlaamse Gewest
“Substance over form”-principe blijft gelden bij vereenvoudigd intracommunautair driehoeksverkeer
Loulou Geboers met een uitgebreide case study voor Tijdschrift voor Fiscaal Recht, 598
E-commerce: Vermijd btw-verplichtingen in het buitenland en registreer nu reeds voor de One Stop Shop (OSS)
Ondernemingen die goederen verkopen via webshops zullen vanaf 1 juli 2021 veel sneller met buitenlandse btw, en de daaraan gekoppelde verplichtingen, worden geconfronteerd wanneer deze goederen worden verkocht aan particulieren in andere EU-Lidstaten. De huidige drempels voor verkopen op afstand zullen met ingang van deze datum immers verdwijnen en vervangen worden door een globale drempel van € 10.000. Om te vermijden dat de ondernemingen zich hiervoor dienen te registreren voor btw-doeleinden in al deze lidstaten, kan met ingang van 1 juli 2021 deze buitenlandse btw worden afgedragen via de gecentraliseerde One Stop Shop aangifte. De Belgische btw-administratie heeft het portaal waarop uw onderneming zich kan registeren voor dit One Stop Shop regime, met ingang van 1 april 2021, opengesteld.
Huidige regeling verkopen op afstand
Tot 30 juni 2021 geldt voor verkopen op afstand per EU-lidstaat een afzonderlijke omzetdrempel tussen € 35.000 en € 100.000. Zolang een ondernemer vanuit België verkopen op afstand doet naar andere EU-lidstaten en de in deze lidstaat van toepassing zijnde drempel niet heeft overschreden, blijft de levering in principe onderworpen aan Belgische btw (tenzij de verkoper uitdrukkelijk opteert om reeds in de lidstaat van aankomst btw af te dragen). Wanneer deze drempel in de lidstaat van aankomst wel is overschreden, dan zal er in ieder geval btw in deze lidstaat opeisbaar worden. Dit heeft tot gevolg dat in de betrokken lidstaat een btw-nummer moet worden aangevraagd, er lokale btw moet worden aangerekend en er lokaal periodieke btw-aangiftes moeten worden ingediend. Aangezien er geen uniform btw-tarief geldt in de verschillende EU lidstaten moet de webshop ook zelf het juiste btw-tarief bepalen.
Nieuwe regeling verkopen op afstand (vanaf 1 juli 2021) – One Stop Shop
Vanaf 1 juli 2021 vervallen de verschillende omzetdrempels die gelden per lidstaat van aankomst van de goederen. Deze worden vervangen door één algemene globale drempel van € 10.000 voor alle verkopen op afstand naar andere EU-lidstaten. Enkel indien de totale omzet uit deze verkopen voormelde globale drempel niet overschrijdt, kan er Belgische btw worden afgedragen op deze verkopen. Belgische ondernemingen zullen hierdoor dus veel sneller buitenlandse btw moeten afdragen dan vandaag het geval is.
Bij wijze van vereenvoudiging biedt de nieuwe regeling wel de mogelijkheid om de verschuldigde btw uit andere EU-lidstaten af te dragen door middel van één gecentraliseerde btw-aangifte op kwartaalbasis, de zogenoemde One Stop Shop (OSS). Belgische ondernemingen zullen via dit regime de buitenlandse btw kunnen afdragen via een OSS-aangifte die kan worden ingediend via het Belgische Intervat-portaal. De Belgische Staat zal de buitenlandse btw op haar beurt dan doorstorten aan de desbetreffende EU-lidstaten. Concrete instructies om deze registratie via Intervat tot een goed einde te brengen, kan u hier terugvinden.
Nieuwe regels voor B2C invoer van goederen (vanaf 1 juli 2021)
Naast de regeling voor verkopen op afstand binnen de EU, zullen de regels voor invoer van goederen in het kader van verkopen op afstand ingrijpend worden gewijzigd.
De huidige btw-vrijstelling voor de invoer van goederen van buiten de EU met een waarde tot € 22 zal vanaf 1 juli 2021 worden afgeschaft.
Om de btw-formaliteiten hier te beperken, wordt een bijzondere regeling ingevoerd voor verkopen op afstand van ingevoerde goederen met een maximale waarde van € 150. Voor deze verkopen zal het mogelijk worden om de btw te voldoen door middel van de zogenaamde Import One Stop Shop (IOSS). Hierdoor zal de invoer van de goederen vrijgesteld zijn van btw en kan de btw op de verkopen op afstand van de ingevoerde goederen afgedragen worden via een gecentraliseerde IOSS-aangifte. In tegenstelling tot de OSS-aangifte voor EU afstandsverkopen, die op kwartaalbasis moet worden ingediend, zal de IOSS-aangifte op maandelijkse basis moeten worden ingediend. Het principe is evenwel hetzelfde, via het Belgisch Intervat-portaal kan de buitenlandse btw op alle verkopen op afstand van ingevoerde goederen worden afgedragen via één gecentraliseerde aangifte en dit ongeacht in welke lidstaat de invoer van de goederen heeft plaatsgevonden.
Indien de ingevoerde goederen niet via de eigen webshop van de verkoper worden verkocht, maar via een online marktplaats (bijvoorbeeld via amazon of bol.com) en de goederen een waarde hebben die niet meer bedraagt dan € 150, dan zal de btw op deze verkopen in principe door de online marktplaats worden geïnd en afgedragen.
Concrete actiepunten voor Belgische ondernemingen
Hoewel de nieuwe btw-regels pas zullen gelden vanaf 1 juli 2021, moeten ondernemingen die momenteel reeds verkopen op afstand doen of dit in de nabije toekomst voor ogen hebben, de gevolgen van de nieuwe e-commerce btw-regels voor hun activiteiten evalueren.
Belgische ondernemingen die verkopen op afstand doen naar andere EU lidstaten en tot op heden onder de verschillende drempels zijn gebleven, zullen met ingang van 1 juli 2021 plots wel geconfronteerd worden met de verplichting om buitenlandse btw af te dragen (tenzij de totale omzet uit afstandsverkopen onder de € 10.000 blijft). Deze ondernemingen hebben er dus alle belang bij om zich te registreren voor de One Stop Shop, hetgeen met ingang van 1 april 2021 mogelijk is.
Aangezien er in het buitenland andere btw-tarieven van toepassing zullen zijn op de online verkopen, dient de prijszetting op de website ook nader bekeken te worden.
Ook voor Belgische ondernemingen die verkopen op afstand doen naar andere EU lidstaten en op heden reeds btw afdragen in deze lidstaten kan een overschakeling naar het OSS-regime voordelig zijn. Mogelijks kunnen de buitenlandse btw-nummers immers geschrapt worden, hetgeen een besparing van de btw-compliance kosten kan betekenen.
Volgende concrete actiepunten kunnen overwogen worden:
- In kaart brengen van alle verkopen op afstand en de impact van de nieuwe regels hierop (bijvoorbeeld welke btw-tarieven er zullen moeten worden toegepast met ingang van 1 juli 2021 en de gevolgen hiervan voor de rapportering en facturatie).
- Aanpassingen aan de interne systemen voorbereiden, alsook aanpassingen van de online webshop.
- Terugblikken op de rapporteringsverplichtingen onder de huidige regeling: in afwachting van de nieuwe regeling, richten de btw-administraties van de verschillende lidstaten hun peilen steeds meer op e-commerce bedrijven die naar hun lidstaat verkopen op afstand hebben verricht. Als blijkt dat de drempel in deze lidstaat reeds overschreden was, zonder lokale btw aan te rekenen en af te dragen, zal de betrokken administratie de verschuldigde btw naheffen eventueel vermeerderd met boetes en interesten. Door middel van een spontane regularisatie kan de impact in dit opzicht doorgaans beperkt blijven.
- Belgische ondernemingen die ook goederen verkopen die van buiten de EU komen, kunnen nader onderzoeken of de nieuwe IOSS-regeling een vereenvoudiging kan betekenen. Indien het gaat om goederen met een maximale waarde van € 150 moet in deze beoordeling ook rekening worden gehouden met de nieuwe regels voor online marktplaatsen.
Mocht u hierbij vragen hebben, aarzel dan zeker niet om contact op te nemen met uw contactpersoon bij Tiberghien of met één van de leden van het Tiberghien btw-team.
Pleidooi voor een pragmatische fiscale wettenmaker
“The United States does not believe 2020 is a suitable time to be conducting such negotiations. (...) The United States is unable to agree, even on an interim basis, on the changes to fundamental rules to tax more heavily only a limited group of predominately U.S.-based companies. (...) The United States remains opposed to digital services taxes and similar unilateral measures.” Met deze woorden kelderde de Amerikaanse Secretary of State, Steven T. Mnuchin, in een brief van 12 juni 2020 aan de Franse, Spaanse, Italiaanse en Britse ministers van Financiën, de hoop dat in 2020 een akkoord zou kunnen worden bereikt over de ambitieuze Pillar One en Two plannen van de OESO om de internationale fiscaliteit te hertekenen.
In de rubriek "Vrij gesteld" geeft Koen Morbée commentaar bij een fiscaal item dat hem is opgevallen. Dit artikel verscheen in Tijdschrift voor Fiscaal Recht, 596.
Grondwettelijk Hof stelt toepassing kaaimantaks voor trusts op scherp
Entiteiten kwalificeren niet als juridische constructies ‘van type 2’ (vennootschappen enz.) voor de kaaimantaks als ze in hun thuisland een belasting van minstens 15 % ondergaan. Voor trusts (en andere constructies ‘van type 1’) geldt die uitzondering niet. Het Grondwettelijk Hof vindt dat discriminerend. Maar de vernietigde bepaling betreft alleen de uitkeringen van de constructie, niet de doorkijkbelasting. Bovendien is het helemaal niet duidelijk hoe we de 15 %-drempel zouden moeten toepassen bij trusts.
Lees hier het volledige artikel over de complexiteit van de kaaimantaks. Een artikel door Gerd. D. Goyvaerts dat verscheen in Fiscale Actualiteit, 2021-6.
Formele aspecten van en de technieken achter (de flexibiliteit van) het “Multilateraal Instrument” - Toelichting en bedenkingen bij een juridisch-technische spitstechnologie
In deze bijdrage wordt de werking en de flexibiliteit van het MLI geduid. In deze bijdrage wordt vooral ingegaan op de complexiteit en techniciteit waarmee die flexibiliteit gepaard gaat. Het MLI wijzigt immers de tekst van het dubbelbelastingverdrag niet, maar voegt er een bijkomende dimensie aan toe. Het MLI en het betreffende “gedekte verdrag” moeten immers samen worden gelezen. Enkele bijzondere aandachts-en knelpunten worden geïdentificeerd en toegelicht. Zoals onder meer het interpretatievraagstuk, de wisselwerking met gedekte verdragen, specifieke verenigbaarheidsclausules, alsook de reikwijdte van de instemming met het MLI door de Belgische wetgever en de juridische waarde van gepubliceerde syntheseteksten. De betrachting van deze bijdrage bestaat erin de rechtspracticus een overzicht te geven van hoe hij met deze fiscaal-juridische spitstechnologie dient om te gaan.
U kan de volledige bijdrage van Rik Smet hier lezen, een artikel dat verscheen in Tijdschrift voor Fiscaal Recht, nr. 593
FIDAL treedt toe tot het WTS Global netwerk in Frankrijk
Tiberghien is verheugd u een nieuwe ontwikkeling binnen het WTS Global netwerk te kunnen aankondigen: vanaf januari 2021 maakt het toonaangevende Franse advocatenkantoor FIDAL deel uit van WTS Global. (lees hier het persbericht)
Via deze nieuwe samenwerking kan ook Tiberghien cliënten met belangen in Frankrijk nog beter bijstaan.
FIDAL werd bijna 100 jaar geleden opgericht als een fiscaal adviesbureau en is vandaag het grootste Franse advocatenkantoor. Met meer dan 1.400 advocaten en consultants, én vertegenwoordiging in meer dan 90 steden over het hele land, wordt FIDAL algemeen erkend als ‘trusted advisor’ voor Franse bedrijven, KMO’s en multinationals binnen een brede waaier aan sectoren.
Bernard Peeters, Partner bij Tiberghien en lid van de WTS Global Board: "Wij zijn overtuigd dat een dynamisch en performant netwerk essentieel is om fiscaal advies op topniveau te kunnen aanbieden aan internationaal actieve bedrijven en hun stakeholders. Onze nieuwe FIDAL-collega’s zullen het WTS Global netwerk versterken met hun expertise en bijna een eeuw aan ervaring. Op die manier kunnen wij cliënten nog beter bijstaan in het ontwikkelen van hun internationale activiteiten”.
Wij kijken uit naar een vruchtbare samenwerking!