Toon items op tag: International Tax
Over de vereiste van effectieve fysieke aanwezigheid in het licht van artikel 15 Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag
Het hof van beroep van Brussel heeft op 15 mei 2019 een interessant arrest geveld inzake de toepassing van artikel 15 van het Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag. Het arrest is op een aantal vlakken merkwaardig en interessant voor de praktijk.
Lees hier uitgebreid over dit onderwerp, in een publicatie die verscheen in Tijdschrift voor Fiscaal Recht, nr. 590
Wallonië zet richtlijn 2017/1852/EU betreffende beslechting van belastinggeschillen om
Zoals reeds in een vorige Nieuwsbrief Successierechten uitgebreid werd aangehaald, nam de Raad Richtlijn 2017/1852/EU betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie aan in het kader van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)-Actiepunt 14. Hieruit bleek eveneens dat Wallonië nog de laatste afwezige was wat de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht betreft. Ongeveer een jaar na datum waarop de richtlijn omgezet had moeten zijn in nationaal recht (30 juni 2019), voorziet Wallonië nu ook in een decreet.
Lees hier de publicatie van Louise De Pauw die verscheen in Nieuwsbrief Successierechten, nr.8/2020
Uitwisseling van informatie: aandachtspunten, gebruik en samenwerking - Belgisch rapport n.a.v. het 74ste (digitale) IFA-congres te Cancun, Mexico (4-8 oktober 2020)
“Het tijdperk van het bankgeheim is voorbij” was de straffe uitspraak van de leiders van de G20 in 2009 in Londen. Hadden zij – exact 10 jaar later – ooit verwacht dat hun communicatie dergelijke grote gevolgen zou hebben? Sindsdien is België lid geworden van verschillende initiatieven inzake grensoverschrijdende samenwerking in de inkomstenbelastingen. Meer zelfs, vandaag kent België een voortrekkersrol op het internationaal niveau.
De volledige publicatie die verscheen in het Tijdschrift voor Fiscaal Recht, 591 kan u hier lezen.
Wetsontwerp betreffende de werking van het Europees Openbaar Ministerie in België – Wat betekent dat voor douane?
Met het wetsontwerp van 14 december 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie1 zet België de eerste stap om haar (straf-)wetgeving in overeenstemming te brengen met de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM)2.
Het EOM is een onafhankelijke supranationale autoriteit die instaat voor het onderzoeken, vervolgen en voor de rechter brengen van strafbare feiten die de financiële belangen van de Europese Unie (EU) schaden. Het EOM is georganiseerd op twee niveaus:
- Het centrale niveau in Luxemburg, bestaande uit de Europese hoofdaanklager en de Europese aanklagers die zetelen in het College en de Permanente Kamers. Zij zijn voornamelijk belast met beleidsbeslissingen en het opvolgen en monitoren van de lopende onderzoeken en strafvervolgingen.
- Het decentrale niveau, bestaande uit de gedelegeerde Europese aanklagers, die in de verschillende deelnemende lidstaten, in samenwerking met de nationale autoriteiten en volgens het nationale recht de eigenlijke onderzoeken en strafvervolgingen voeren.
De misdrijven waarvoor het EOM bevoegd is, zijn omschreven in de richtlijn (EU) 2017/1371 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (“PIF-richtlijn”)3.
De meeste douanemisdrijven die een douaneschuld doen ontstaan, vallen onder die richtlijn. De Memorie van Toelichting geeft als voorbeelden: de verkeerde aangifte inzake douanevervoer (artikel 115, § 1 AWDA4, de vaststelling na het afsluiten van het certificaat van verificatie van het bestaan van een douaneschuld ontstaan ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling (artikel 202, § 2 AWDA), in- en uitvoer zonder aangifte (artikel 220, § 2 AWDA), aangifte onder een verkeerde benaming (artikel 236 AWDA), de onvolledige aangifte (artikel 237 AWDA), niet-naleving van de voorwaarden die de toekenning van een gunstiger belastingregime zouden rechtvaardigen (artikel 256 AWDA), het geven van een andere bestemming dan die vermeld op de douanedocumenten (artikel 257, § 3 AWDA) en het gebruik van valse, onjuiste of onvolledige documenten met het opzet om de douane te bedriegen (artikel 259 AWDA).
Aangezien de douaneadministratie, onder de huidige Belgische wetgeving, bij dergelijke douanemisdrijven exclusief bevoegd is voor het instellen van de vordering tot betaling van geldboeten, verbeurdverklaring of het sluiten van fabrieken, rijst de vraag hoe het EOM zich zal verhouden tot de Belgische douaneadministratie.
Met het voorliggende wetsontwerp wil de Belgische regering een afzonderlijk en onafhankelijk (“sui generis”) parket creëren voor het decentrale niveau van het EOM in België. Wat betreft de verhouding tot de douaneadministratie, kiest het wetsontwerp voor het behouden van de huidige bevoegdheden, mits enkele aanpassingen.
Overeenkomstig het wetsontwerp, wordt in de AWDA een nieuw Hoofdstuk XXVbis toegevoegd met de titel “Europees Openbaar Ministerie” dat de samenwerking tussen de douaneadministratie en Belgische gedelegeerde Europese aanklagers behandelt.
Concreet zal er één douaneambtenaar aangewezen worden die verbonden zal zijn met het EOM. Volgens het wetsontwerp zal deze ambtenaar onafhankelijk zijn van zijn oorspronkelijke administratie en zal hij samenwerken met het EOM voor het handhaven van douanemisdrijven die onder de bevoegdheid van het EOM vallen.
De aangewezen douaneambtenaar zal instaan voor het onderzoek en het beheer van de procedures (vervolging én invordering). Hiervoor behoudt hij alle bevoegdheden die de AWDA toekent aan de douaneadministratie.
Wel zal hij bij het uitoefenen van die bevoegdheden ondergeschikt zijn aan het EOM. Zo dient het steeds het EOM te zijn dat beslist over het instellen van een strafvordering of het afsluiten van het onderzoek zonder verder gevolg. Ook kan de aangewezen douaneambtenaar niet zelf overgaan tot het voorstellen van een minnelijke schikking en moet hij bij het nemen van iedere onderzoeks- of andere maatregel het EOM onverwijld in kennis stellen. De aangewezen douaneambtenaar kan aan het einde van het onderzoek weliswaar een aanbeveling doen voor het verdere verloop van het dossier, maar de beslissing zou bij het EOM moeten liggen.
Het algemeen principe is bovendien dat de aangewezen ambtenaar zijn taken vervult volgens de richtlijnen van het EOM en niet volgens de instructies van zijn oorspronkelijke administratie. Hij dient immers onafhankelijk te zijn. De douaneadministratie kan zich daarom niet verzetten tegen een handeling van de aangewezen douaneambtenaar wanneer die een besluit van het EOM ten uitvoer legt. Indien het EOM zijn bevoegdheid echter niet kan of wil uitoefenen, krijgt de douaneadministratie terug de volledige vervolgingsbevoegdheid met betrekking tot de vermeende douane-inbreuk.
Hoewel het wetsontwerp hiermee duidelijke regels voor de interactie tussen de twee autoriteiten wil vastleggen, is het nog afwachten hoe het strafonderzoek en de strafvervolging inzake douane er in de toekomst concreet uit zal zien.
Zal de aangewezen douaneambtenaar daadwerkelijk onafhankelijk zijn van zijn oorspronkelijke administratie? Zullen inhoudelijke beslissingen inderdaad door het EOM genomen worden of zullen zij in de praktijk toch gedreven blijven door de douaneadministratie? Zal het afsluiten van minnelijke schikkingen onder de nieuwe regels moeilijker worden? Wellicht zullen de definitieve wet en de praktische uitwerking van die nieuwe regels pas antwoord op deze vragen bieden.
Jurgen Gevers - Counsel Tiberghien (jurgen.gevers@tiberghien.com)
Ward Lietaert - Associate Tiberghien (ward.lietaert@tiberghien.com)
Ana Laura Claes - Associate Tiberghien (analaura.claes@tiberghien.com)
1Parl. St. Kamer 1696/001.
2PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1–71.
3PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29–41.
4Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, B.S., 21 september 1977.
Webinar 'Tijdelijke Uitbreiding van het 6% btw-tarief voor afbraak en heropbouw'
We danken u voor uw interesse en/of aanwezigheid. Voor meer info over dit onderwerp kan u terecht bij de sprekers.
Sprekers
Stijn Vastmans Stein De Maeijer
Documentatie
Klik hier voor de presentatie 'Tijdelijke Uitbreiding van het 6% btw-tarief voor afbraak en heropbouw' van Tiberghien.
We verwijzen ook u graag door naar het artikel over dit onderwerp dat eerder op onze website verscheen.
Omwille van privacyredenen werd er besloten om geen opname van het webinar te maken.
Brussel zet met ordonnantie richtlijn 2017/1852/EU betreffende beslechting van belastinggeschillen om
In het kader van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) Actiepunt 14 nam de Raad richtlijn 2017/1852/EU betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie aan. De liststaten dienden de richtlijn uiterlijk op 30 juni 2019 om te zetten in nationaal recht.
Lees hier de volledige publicatie van Louise De Pauw die verscheen in de Maandelijkse Nieuwsbrief Successierechten, Nr. 6- 25 Augustus 2020
Kroniek internationaal en Europees belastingrecht 2017-2018
Deze kroniek bespreekt Belgische en Europese rechtspraak inzake internationale en Europese fiscaliteit op het gebied van inkomstenbelasting die relevant is voor de praktijk en bekend is geworden tussen 1 januari 2017 en 31 december 2018.
De volledige publicatie die verscheen in Algemeen Fiscaal Tijdschrift 2020-3 kan u hier lezen.
Belgische rechtspraak over belastingvrijstelling op buitenlandse spaardeposito’s gunstig voor belastingplichtige
De Belgische rechtspraak heeft zich recent opnieuw uitgesproken over belastingvrijstelling op buitenlandse spaardeposito’s. Volgens de rechtspraak kunnen buitenlandse spaarboekjes ook in aanmerking komen voor de belastingvrijstelling onder artikel 21,5° WIB – zelfs indien niet voorzien is in een dubbele vergoedingsstructuur.
Het verbod van fiscaal misbruik: risico op overinterpretatie vs. terug naar de essentie
Sinds de arresten van de Grote kamer van het Hof van Justitie in de zogenaamde Deense zaken zijn het aantal bijdragen over het verbod van fiscaal misbruik en de impact daarvan op het fiscaal recht niet meer te tellen. Wij verwijzen onder meer naar de interessante bijdrage van A. Bouwen eerder in TFR. Met deze arresten zou als het ware ook een nieuw tijdperk zijn begonnen, een tijdperk waarin volgens sommigen zelfs geen plaats meer zou zijn voor de benadering dat hetzelfde Hof hanteerde in zijn befaamde Centros- en Cadbury Schweppes-rechtspraak. Zo schrijft A. Zalasinki, legal officer bij de Europese Commissie, bijvoorbeeld: “It cannot be overlooked that, in the Danish decisions, the ECJ breaks the Centros/Cadbury Schweppes line of case law.” Verder schrijft dezelfde auteur zelfs dat “the rock-solid approach according to which the taxpayer may have tax motives for exercising the fundamental freedoms as long as he carries on genuine activities seems to be seriously eroded, if not abandoned”.
De volledige publicatie die verscheen in Tijdschrift voor Fiscaal Recht 576 kan u hier lezen.
Uitvoervergunning voor persoonlijke beschermingsmiddelen
Voor de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen uit de EU naar derde landen is een uitvoervergunning vereist. Deze verplichting geldt vanaf 15 maart 2020. Overtredingen worden streng bestraft.