Toon items op tag: Notaries, Lawyers, Legal Professionals
Vertrekpunt van de hertaxatietermijn na een nietige aanslag: the taxman always rings twice
Het Hof van Cassatie brengt in een recent arrest van 17 mei 2021 de wettelijke principes over het vertrekpunt van de hertaxatietermijn na een nietige aanslag in herinnering. Over dit vertrekpunt bestaat er in de rechtspraak niet altijd eensgezindheid. De rechtspraak van het Hof brengt soelaas.
Een aanslag die niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, is zonder meer nietig. Conform de fiscale wetgeving kan de fiscus in voorkomend geval, zélfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen de drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de Adviseur-Generaal van de fiscale administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
Met deze wettelijke bepaling bood de wetgever de fiscus een kans op een beter resultaat in tweede zittijd. De wet voorziet evenwel uitdrukkelijk dat deze nieuwe aanslag -ter vervanging van de vernietigde aanslag- slechts mag worden gevestigd vanaf de datum waarop de administratieve beslissing tot vernietiging van de initiële aanslag niet meer vatbaar is voor een voorziening in rechte. De termijn begint met andere woorden niet te lopen vanaf de dag van de directoriale beslissing over de vernietiging van de aanslag, maar wél vanaf de dag van het verstrijken van de termijn om tegen deze beslissing een gerechtelijke procedure op te starten.
Over het vertrekpunt van deze hertaxatietermijn bestaat in de praktijk reeds geruime tijd betwisting, meer specifiek over de bewoordingen “niet meer voor de rechter kan worden gebracht”. Bepaalde rechtspraak wees er in het verleden op dat het verstrijken van de beroepstermijn niet de enige piste was waardoor een vordering in rechte niet meer aanhangig kon worden gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg. Volgens deze rechtspraak moet er eveneens rekening worden gehouden met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarin wordt gestipuleerd dat “een vordering niet kan worden ingesteld indien de eiser niet de hoedanigheid noch het vereiste belang hiertoe heeft, waarbij dit belang reeds verkregen en dadelijk moet zijn”. Hieruit zou volgen dat de termijn om de nieuwe aanslag te vestigen aanvangt met de kennisgeving van de directoriale beslissing indien deze niet meer voor de rechter kan worden gebracht bij gebreke van het vereiste belang. In een uitzonderlijk geval oordeelde de rechtbank van Namen dat dit steeds het geval is wanneer de directoriale beslissing de initiële aanslag geheel vernietigt. De belastingplichtige heeft volgens de rechtbank geen belang bij de instelling van een vordering in rechte, daar de aanslag gewoonweg niet meer bestaat en die beslissing aldus in het voordeel van de belastingplichtige is.
Met het arrest van 17 mei 2021 lijkt het Hof van Cassatie deze discussie definitief te beslechten, waarbij uitsluitend de inachtneming van het verstrijken van de beroepstermijn als pertinent criterium naar voren wordt geschoven. De zaak werd doorverwezen naar het hof van beroep te Bergen en zal aldaar door de feitenrechter worden beslecht.
Ben Van Vlierden - Partner (ben.vanvlierden@tiberghien.com)
Olja Rudic - Associate (olja.rudic@tiberghien.com)
Aangifteverplichting vastgoed in het buitenland: update
Met de wet van 17 februari 2021 (BS 25 februari 2021) beoogt de Belgische wetgever in het buitenland gelegen onroerende goederen aan eenzelfde fiscale behandeling te onderwerpen als in België gelegen onroerende goederen.
Pro memorie: voor eigenaars van in België gelegen niet-verhuurde of aan particulieren verhuurde onroerende goederen baseert de fiscale administratie zich voor de belastingberekening op het kadastraal inkomen (KI) terwijl ze voor in het buitenland gelegen onroerende goederen uitgaat van de (meestal hogere) “huurwaarde” (i.e. de huurprijs die gevraagd zou kunnen worden indien het onroerend goed verhuurd zou worden) dan wel de “werkelijk ontvangen huur en huurvoordelen”.
Zoals toegelicht in onze eerdere newsflash opteert de wetgever voor het toekennen van een KI aan in het buitenland gelegen onroerende goederen. Opdat de Belgische overheid het KI van in het buitenland gelegen onroerende goederen kan vaststellen, dient de “belastingplichtige” (i.e. Belgische fiscale inwoners, bepaalde rechtspersonen en oprichters van een juridische constructie) een aangifte in te dienen binnen een bepaalde termijn.
Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste aandachtspunten in het kader van deze aangifte.
Aangifteplicht en - termijnen
De aangifteplicht geldt voor onroerende goederen in alle andere landen. Belastingplichtigen met een zakelijk recht op een buitenlands onroerend goed, moeten in principe een aangifte indienen.
De wijzigingen m.b.t. de belastbare grondslag in de personenbelasting zijn van toepassing vanaf inkomstenjaar 2021 - aanslagjaar 2022. Voor wat betreft de (afzonderlijke) aangifte van de buitenlandse onroerende goederen moet wel reeds actie ondernomen worden. Hierna kan u een overzicht vinden van de meest in het oog springende aangiftetermijnen:
- Een “belastingplichtige” (Belgisch fiscaal inwoner) die op 01/01/2021 een onroerend goed in het buitenland bezat, moet hiervan uit eigen beweging vóór 31/12/2021 aangifte doen bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
Belastingplichtigen die inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen hebben aangegeven in hun aangifte m.b.t. aanslagjaar 2020, ontvingen ondertussen in principe een aangifteformulier. Zij die voor het eerst inkomsten van buitenlandse onroerende goederen aangeven in hun aangifte m.b.t. aanslagjaar 2021 zullen in principe in september / oktober 2021 gecontacteerd worden.
Belastingplichtigen die het aangifteformulier niet krijgen toegestuurd, moeten vanzelfsprekend spontaan overgaan tot het indienen van een aangifte tegen 31/12/20212.
- Een “belastingplichtige” (Belgisch fiscaal inwoner) die na 01/01/2021 een buitenlands onroerend goed verwerft (of vervreemdt), moet binnen de 4 maanden uit eigen beweging aangifte doen bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Voor onroerende goederen verworven of vervreemd tussen 1 januari 2021 en vóór 25 februari 2021, moest uiterlijk op 30 juni 2021 een aangifte worden ingediend.
- Een niet-inwoner die een onroerend goed bezit dat niet in België gelegen is en Belgisch fiscaal inwoner wordt (en dus onderworpen is aan personenbelasting) moet aangifte doen van het bezit van dat onroerend goed. Hij heeft hiervoor 30 dagen de tijd, te rekenen vanaf de datum waarop hij Belgisch fiscaal inwoner wordt.
- Een “belastingplichtige” moet tot slot ook een aangifte indienen bij het zich voordoen van bepaalde gebeurtenissen zoals de eerste ingebruikneming of verhuur van een nieuw opgericht of herbouwd onroerend goed en de voltooiing van verbouwingen. In deze gevallen moet de aangifte ook binnen de 30 dagen worden ingediend.
De aangifte kan per gewone brief, via e-mail of online via MyMinfin ingediend worden.
Het niet of niet tijdig naleven van de aangifteverplichtingen kan worden gesanctioneerd met een administratieve geldboete van € 250 euro tot € 3.000. Het is bijgevolg van belang voor eigenaars van buitenlandse onroerend goederen om tijdig de nodige aangiftes te doen bij de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
Aangifteformulier
Het aangifteformulier is ondertussen beschikbaar op de website van de FOD Financiën.
De aangifte is individueel. Dit betekent dat partners die samen eigenaar zijn, elk een aangifte moeten indienen waarin zij hun aandeel in de eigendom meedelen.
Bovendien moet per buitenlands onroerend goed een afzonderlijke aangifte ingediend worden.
De mee te delen informatie m.b.t. het onroerend goed verschilt. In het bijzonder moeten worden vermeld: het soort onroerend goed (huis, grond, appartement, etc.) de ligging (adres, land, enz.), de aard van het zakelijke recht (vruchtgebruik, opstal, enz.), de oppervlakte voor ongebouwde onroerende goederen, de actuele verkoopwaarde voor gebouwd onroerend goed (of indien de actuele verkoopwaarde niet gekend is: de prijs, de datum van verwerving en of er al dan niet verbouwingswerken zijn uitgevoerd), etc.
KI per aangetekende brief
De administratie betekent elk nieuw vastgesteld KI aan de belastingplichtige. In principe zal het KI beschikbaar zijn tegen 1 maart 2022.
Deze betekening opent een termijn van twee maanden waarbinnen de belastingplichtige een bezwaar kan indienen. Hierin kan de belastingplichtige een nieuw KI voorstellen.
Bij vragen of opmerkingen, gelieve contact op te nemen met de auteur van dit artikel.
Laurine Vanherck - Associate (laurine.vanherck@tiberghien.com)
Over de beweerdelijke fiscale valsheid in geschriften ter zake fiscale regularisatie
Nieuwe inzichten aangaande de vraag wanneer een aangifte in fiscale regularisatie zich opdringt aan het openbaar vertrouwen.
In een arrest van 19 november 2019 (Cass. P.19.0861.N) oordeelt het Hof van Cassatie over de toepassing van de wet van 27 december 2005 (EBAbis) en de fiscale regularisatie zoals die gold tot 15 juli 2013. In een helder en bondig arrest velt het Hof een duidelijk oordeel over de zogenaamde “partiële regularisaties” dat volledig in overeenstemming is met een ter zake vrijwel unanieme doctrine. Met een zogenaamde “onvolledige regularisatie” is er op zich vanuit fiscaal noch strafrechtelijk oogpunt enig probleem.
Lees hier de uitgebreide uiteenzetting van Gerd D. Goyvaerts en Patrick Waterinckx. Een artikel dat verscheen in Tijdschrift Fiscaal Recht, nr. 599 (maart 2021).
Fiscaliteit van (ex-)partners en kinderen
Enkele aandachtspunten voor echtgenoten, wettelijk samenwonenden en gescheiden ouders
- U bent gescheiden of bent momenteel verwikkeld in een echtscheiding en u vraagt zich af hoe u wordt belast en wie kan genieten van de belastingvrije som voor kinderen ten laste?
- U heeft gehoord over fiscaal co-ouderschap en vraagt zich af wat dit inhoudt en wat de voor- en nadelen zijn?
- U ontvangt onderhoudsbijdragen van uw ex-echtgeno(o)t(e) en vraagt zich af hoe dit inkomen wordt belast, of betaalt u onderhoudsbijdragen en vraagt zich af of deze betalingen fiscaal aftrekbaar zijn?
- Uw kind ontvangt onderhoudsbijdragen en u vraagt zich af of hij of zij fiscaal nog steeds als ten laste beschouwd kan worden en of dat hij of zij een belastingaangifte moet indienen?
- U bent gescheiden en u vraagt zich af of u aangesproken kan worden voor de belastingschulden van uw ex-echtgeno(o)t(e) of voormalige wettelijk samenwonende partner?
Hier vindt u een eerste antwoord op al deze vragen, en op andere vragen die veel ouders, ex-partners of ex-echtgenoten zich stellen.
De vermelde bedragen hebben betrekking op het aanslagjaar 2021 (inkomsten van 2020) en 2022 (inkomsten van 2021).
Het gunstregime familiale vennootschappen en de verhuur van vastgoed in het Vlaamse Gewest
Ingevolge de toepassing van het gunstregime familiale vennootschappen is een vrijstelling van schenkbelasting en een verminderd vlak tarief van 3% (of 7%) in de erfbelasting van toepassing voor familiale vennootschappen met een kwalificerende economische activiteit.
Lees hier het uitgebreide artikel over het gunstregime. Een artikel van Griet Vanden Abeele (griet.vandenabeele@tiberghien.com), dat verscheen in Vermogensplanning in de praktijk, 2021/1.
FBB op Franse dividenden - Fiscus verduidelijkt de praktische regels voor de terugvordering
In een recente nieuwsbrief werd al gemeld dat de Fiscus zich neerlegt bij het arrest van het Hof van Cassatie van 15 oktober 2020 waarin voor de tweede maal bevestigd wordt dat een Belgische inwoner-particulier op basis van het Belgisch – Frans dubbelbelastingverdrag recht heeft op de verrekening van een forfaitair belastingkrediet van 15 % van het netto-dividend ‘aan de Belgische grens’.
Voor cijfervoorbeelden, waarbij vastgesteld kan worden dat het bedrag van dat krediet verschillend kan zijn naargelang de Franse bronheffing die werd ingehouden, verwijzen wij naar onze eerdere nieuwsbrieven hierover.
Aansluitend op de “berusting” in het cassatie-arrest, heeft de Centrale administratie nu een circulaire gepubliceerd in de vorm van een FAQ (Frequently Asked Questions), die de Belgische particulier wegwijs moet maken in de manier van recuperatie van het FBB (Circulaire 2021/C/49 - FAQ van 28 mei 2021 betreffende het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (FBB) en dividenden van Franse oorsprong)
Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen de kalenderjaren waarin dit Franse dividend geïnd werd.
1. Verhaalmogelijkheden per kalenderjaar
Wij trachten hierna de regels die de Administratie voorstelt, per kalenderjaar samen te vatten.
1.1. Franse dividenden ontvangen in het kalenderjaar 2020
De fiscus stelt eenzelfde manier voor van recuperatie van FBB zowel voor Franse dividenden die eerst in het buitenland geïnd werden en die verplicht aangegeven moeten worden in de aangifte personenbelasting, als voor Franse dividenden die rechtstreeks op een Belgische bankrekening gestort werden en waarop bevrijdende roerende voorheffing werd ingehouden.
Voor beide gevallen stelt de administratie voor om de Franse dividenden “aan te geven in de passende rubrieken van het vak VII (inkomsten van kapitalen en roerende goederen) van de aangifte in de personenbelasting (aanslagjaar 2021), en niet na te laten om ook rubriek F in te vullen (inkomsten waarop een bijzonder aanslagstelsel van toepassing is)”.
De circulaire preciseert echter niet onder welke code(s) van vak VII de dividenden gemeld moeten worden zodat het raadzaam is waakzaam te zijn voor een correcte aangifte om enige discussie hierover te vermijden. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende codes naargelang roerende voorheffing werd ingehouden of niet, en – indien ingehouden – aan welk tarief er werd ingehouden.
1.2. Franse dividenden ontvangen in kalenderjaar 2019
Indien de dividenden in het buitenland geïnd werden en vervolgens verplicht aangegeven werden en er geen verrekening plaatsvond in het betreffende aanslagbiljet, dan kan er een bezwaar ingediend worden binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het aanslagbiljet dat betrekking heeft op de aanslag die de belasting van de dividenden omvat.
Indien de dividenden rechtstreeks op een Belgische rekening werden gestort met inhouding van Belgische RV en niet gemeld werden in de aangifte PB – aanslagjaar 2020, dan zou het FBB nog verrekend kunnen worden indien de dividenden vooralsnog in een aanslag opgenomen worden. In de circulaire wordt het voorbeeld van een wijziging van aangifte vermeld.
Naar onze mening kan hier ook nog een rechtzetting gebeuren door een bezwaar in te dienen tegen het eerder ontvangen aanslagbiljet wegens een vergissing in rechte.
Mocht de bezwaartermijn van 6 maanden en 3 dagen reeds verstreken zijn, dan kan geopteerd worden voor ofwel een ontheffing van ambtswege (artikel 376 WIB 92), ofwel een aanvraag tot terugbetaling in te dienen tegen de ingehouden RV (artikel 368 WIB 92) naargelang de concrete situatie.
1.2.1. Ambtshalve ontheffing (art. 376 WIB 92)
De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen.
Een ambtshalve ontheffing kan gevraagd worden tot vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd. De terugvordering kan dus teruggaan tot inkomstenjaar 2015 in de veronderstelling dat de dividenden dan in 2016 werden aangegeven via de aangifte inzake personenbelasting en de aanslag gevestigd werd in 2017.
In de nieuwe circulaire wordt gemeld dat deze ambtshalve ontheffing niet mogelijk is voor de verrekening van het FBB omdat:
- er geen sprake kan zijn van dubbele belasting die respectievelijk werd geheven in België en in Frankrijk, en
- de uitspraak van het Hof van Cassatie geen nieuw feit is.
Wij menen dat dit standpunt van de administratie voor discussie vatbaar is en dat er toch argumenten ingeroepen kunnen worden om de FBB-verrekening toe te kunnen passen.
Zo kan men bv. in eerste instantie erop wijzen dat zowel het antwoord van de minister van Financiën op de parlementaire vraag nr° 123 van 30 november 2020 van de heer Leysen (Vr. en Antw. Kamer 2020-2021, 27 januari 2021, nr.B0036, 201, vraag nr.123) als de circulaire (2021/C/49 – FAQ) van 28 mei 2021 ingeroepen kunnen worden als nieuwe feiten.
Wat de eventuele dubbele belasting als argument betreft, stelt de administratie dat er geen sprake kan zijn van dubbele heffing omdat het Frans-Belgisch dubbelbelastingverdrag beide staten uitdrukkelijk machtigt om belasting te heffen over deze dividenden. Niettemin kan hiertegen ingeroepen worden dat er toch nog dubbele belasting is in de mate dat er geen FBB-verrekening gebeurde zoals voorzien wordt in dat dubbelbelastingverdrag.
Het standpunt van de belastingautoriteiten is verbazingwekkend daar het ontbreken van een verrekening van het FBB reeds door enkele rechterlijke instanties werd beschouwd als een dubbele heffing die recht geeft op een ambtshalve ontheffing.
1.2.2. Aanvraag tot terugbetaling van ingehouden RV
De circulaire spreekt met geen woord over de mogelijkheid om het FBB te recupereren door middel van een aanvraag tot terugbetaling van ingehouden RV met een terugvraagtermijn van 5 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin de roerende voorheffing gestort is geweest.
Bijgevolg kan een aanvraag tot terugbetaling worden ingediend voor dividenden verkregen sinds 1 januari 2017.
Deze mogelijkheid tot terugbetaling van de teveel ingehouden roerende voorheffing werd bovendien tot tweemaal toe bevestigd door het Hof van Beroep van Gent in het voordeel van de belastingplichtige. Het betreft meer in het bijzonder de arresten van 15 december 2020 en 21 april 2021.
Het feit dat het Belgisch intern recht geen verrekening van FBB voorziet ingeval van toepassing van bevrijdende roerende voorheffing (art. 313 WIB92), zo oordeelt het hof, is namelijk van ondergeschikt belang en kan geen afbreuk doen aan de lezing die aan artikel 19, A1, 2e lid van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag gegeven moet worden, te weten een autonoom recht op verrekening van FBB ongeacht de eventuele beperkingen van Belgisch recht.
Gelet op deze positieve rechtspraak van het Gentse Hof van Beroep, menen wij dat de belastingplichtige zijn rechten kan vrijwaren door de FBB-verrekening te vragen in een aanvraag tot terugbetaling van de inhouding van RV, althans voor zover de andere oplossingen niet meer mogelijk zijn wegens het verstrijken van de aangifte- en/of bezwaartermijn tegen het persoonlijk aanslagbiljet.
1.3. Franse dividenden ontvangen in kalenderjaar 2018 en vroeger
Vermits er waarschijnlijk al meer dan 6 maanden en 3 dagen verlopen zijn sinds de verzending van het aanslagbiljet personenbelasting naar de betrokken belastingplichtige, kan de verrekening enkel nog maar gevraagd worden binnen de langere termijnen van een ambtshalve ontheffing of die van een aanvraag tot terugbetaling van de ingehouden RV.
2. Enkele algemene opmerkingen
2.1. Netto-bedrag voor berekening FBB
In de circulaire wordt bevestigd dat bij toepassing van het nieuwe tarief van Franse bronheffing van 12,8 %, het FBB van 15% berekend wordt op het saldo van 87,2 EUR (in de veronderstelling dat het bruto uitgekeerd dividend 100 is). Op dit bedrag wordt Belgische belasting van 30 % (hetzij 26,16) berekend, waarmee 13,08 FBB verrekend kan worden. Na verrekening van het FBB zal een Belgische particulier bijgevolg 74,12 overhouden. Hierdoor kan men uiteindelijk meer netto overhouden van een Frans dividend dan bijvoorbeeld bij een louter Belgisch dividend (waar het netto 70 is).
2.2. Impact aanvraag vrijstelling van personenbelasting
In de circulaire wordt ook een standpunt ingenomen ten aanzien van de verrekening van het FBB voor dividenden die eveneens onder een andere code aangegeven worden om te genieten van een vrijstelling van personenbelasting (voor een maximumbedrag van 800,00 euro). De FBB-verrekening kan volgens de administratie slechts gebeuren voor dividenden van Franse oorsprong die effectief belast werden (worden) in België. In de mate dat het dividend werd aangegeven voor deze specifieke vrijstelling van personenbelasting, verliest men het recht op FBB.
2.3. Geen automatische rechtzetting andersluidende beslissingen in verleden
Voor dossiers van belastingplichtigen waaromtrent in het verleden reeds een negatieve beslissing genomen werd in een procedure van bezwaar bij de administratie, zal er geen automatische rechtzetting gebeuren op basis van de nieuwe cassatierechtspraak. Zolang de termijn niet is verstreken, kan wel nog een verzoekschrift worden neergelegd bij de rechtbank van eerste aanleg om de situatie recht te zetten.
Vincent Vercauteren - Partner (vincent.vercauteren@tiberghien.com)
Griet Vanden Abeele - Partner (griet.vandenabeele@tiberghien.com)
Dirk Coveliers - Counsel (dirk.coveliers@tiberghien.com)
Yannick Cools - Associate (yannick.cools@tiberghien.com)
Update verlaagd btw-tarief 6% afbraak en heropbouw – Nieuwe FAQ’s gepubliceerd
Na de eerdere circulaire (zie onze vorige newsflash) heeft de btw-administratie nieuwe, door de praktijk reeds lang verwachte, FAQ’s gepubliceerd ter verduidelijking van de voorwaarden voor toepassing van de tijdelijke regeling afbraak en heropbouw (zie link) .
De nieuwe FAQ’s hernemen de reeds eerder gepubliceerde toelichting voor bouwpromotoren en bevatten daarnaast ook belangrijke verduidelijkingen over een aantal openstaande discussiepunten . Bij wijze van UPDATE zetten wij de meest opvallende verduidelijkingen uit de nieuwe FAQ’s hierna op een rijtje:
- De verkoop van een erkende assistentiewoning kan eveneens gebeuren met toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% mits uiteraard aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan (zie FAQ nr. 1.3). Dit impliceert o.a. dat de koper deze assistentiewoning zelf ook zal moeten betrekken hetgeen zal resulteren in een cirkelverhuur tussen de koper en de beheersinstantie.
- De aankoop van de blote eigendom van een woning wordt uitgesloten van het verlaagd btw-tarief zelfs indien de blote eigenaar de woning zelf zou betrekken (zie FAQ’s nr. 1.4 en 7.1).
- Een vastgoedproject dat bestaat uit meerdere woonblokken en gerealiseerd wordt op verschillende kadastrale percelen waarvan slechts sommige oorspronkelijk bebouwd waren, kan alsnog volledig in aanmerking komen voor toepassing van het verlaagd 6% tarief mits deze woonblokken één gebouw uitmaken en voor meer dan 50% worden ingeplant op de oorspronkelijk bebouwde percelen (zie FAQ nr. 2.7). Om als één gebouw te worden beschouwd, moet er sprake zijn van een gemeenschappelijke ondergrondse kelder en/of garage met een blijvende en permanente doorgang tussen de ondergrondse ruimten, alsook van gemeenschappelijke voorzieningen die betrekking hebben op alle woonblokken (e.g. trappen of liften die voor alle bewoners toegankelijk zijn, gemeenschappelijke toegangen, gemeenschappelijke nutsvoorzieningen en technische lokalen).
- Een gedeeld bouwheerschap wordt aanvaard voor projecten waarbij een grondeigenaar zich een deel van het terrein en de daarmee verband houdende nieuwe wooneenheden voorbehoudt en enkel een partieel recht van opstal verleent aan een bouwpromotor. In dergelijke situatie wordt de bouwpromotor enerzijds eigenaar van de appartementen bestemd voor verkoop aan derden en treedt deze anderzijds op als aannemer voor wat betreft de afbraak en heropbouw van de wooneenheden die voorbehouden worden voor de grondeigenaar (zie FAQ nr. 3.7). Dit wil zeggen dat toepassing van het verlaagd 6% tarief mogelijk is voor zowel de verkoop van de appartementen als voor de aannemingsdiensten die ten behoeve van de grondeigenaar worden verricht voor zover uiteraard aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan.
- De levering van garages die deel uitmaken van een heropgerichte woning komt ook in aanmerking voor toepassing van het verlaagd tarief. Er wordt verduidelijkt dat dit één verkoopovereenkomst veronderstelt (FAQ nr. 4.1).
- Infrastructuurwerken komen eveneens in aanmerking voor toepassing van het verlaagd tarief mits de bouwpromotor de eigendom ervan overdraagt aan de overheid en de kostprijs ervan verhaalt op de koper van de woning die aan 6% btw wordt verkocht. Indien de prijs van de woning moet worden uitgesplitst omdat er ook zaken in vervat zitten die expliciet worden uitgesloten van het verlaagd tarief (e.g .zwembad, sauna, …), dan moet ook de kostprijs van de infrastructuurwerken evenredig worden uitgesplitst. Indien de verkoper een andere techniek toepast voor doorrekening van de infrastructuurwerken (derdebetalersregeling of systeem van dubbele overdracht), kan er voor deze werken geen toepassing worden gemaakt van het verlaagd tarief (zie FAQ’s 5.5 t.e.m. 5.7).
- De verkoop van onverdeelde aandelen in een woning die aan 6% btw werd aangekocht of gebouwd, alsook de schenking van de blote eigendom mbt dergelijke woning, zal aanleiding geven tot een pro rata regularisatie van het genoten voordeel wanneer de verkoop of schenking plaatsvindt binnen de regularisatieperiode (zie FAQ’s nr. 7.3 t.e.m. 7.5).
- Er worden bijkomende voorbeelden gegeven over welke situaties kunnen gelden als een verhinderend bezit mbt het criterium enige en eigen woning. Investeringsproducten met kenmerken van een autonome wooneenheid zoals een kamer in een aparthotel vormt een verhinderend bezit. Kamers in een hotel of in een rust- en verzorgingstehuis vormen daarentegen geen verhinderend bezit (zie FAQ nr. 8.1).
- Wat de formele voorwaarden betreft, wordt uiteindelijk toch een minder strikt standpunt ingenomen. Zo wordt voor aannemingswerken aanvaard dat de verklaring door de bouwheer nog kan worden ingediend na aanvang van de werken. Het verlaagd tarief kan desgevallend enkel worden toegepast voor de btw die opeisbaar wordt vanaf de datum van indiening van de verklaring. Voor projecten die werden opgestart vóór 1 januari 2021 wordt bij wijze van uitzondering aanvaard dat ook de btw die opeisbaar is geworden in de periode 1 januari 2021 t.e.m. 31 maart 2021 nog geregulariseerd kan worden mits de verklaring uiterlijk 31 maart werd ingediend (zie FAQ’s nr. 9.1 en 9.2).
Ook bij verkopen van woningen gerealiseerd na afbraak geldt hetzelfde principe dat het verlaagd tarief enkel kan worden toegepast voor de btw die opeisbaar wordt vanaf de datum van indiening van de verklaring. Voor verkopen op plan kan er wel nog een regularisatie gebeuren mits de verklaring tijdig wordt ingediend, d.w.z. uiterlijk bij voorlopige oplevering (zie FAQ’s nr. 9.3 en 9.4).
Bij vragen of opmerkingen, gelieve contact op te nemen met één van de leden van het Tiberghien btw-team.
Stijn Vastmans - Partner (stijn.vastmans@tiberghien.com)
Stein De Maeijer - Counsel (stein.demaeijer@tiberghien.com)
COLUMN TRENDS: 'Een verlies erkennen, dat zou pas een belastinghervorming zijn'
Koen Van Duyse bespreekt in zijn columns voor het magazine Trends actuele fiscale onderwerpen met een kritische pen.
'Er wordt veel gesproken over een nakende belastinghervorming. Een verlies erkennen, dat zou pas een hervorming zijn. En daarvoor is geen zware studieronde of nieuwe wetgeving vereist. Als de overheid verklaart dat zij af wil van het traditionele conflictmodel tussen fiscus en belastingplichtige en plaats wil maken voor een consensusmodel, dan zal zij uit een ander vaatje moeten tappen.' Dat zegt Koen Van Duyse, partner bij Tiberghien Advocaten.
UCL-professor Jogchum Vrielink tweette in 2019 naar aanleiding van een vonnis in het hoofddoekendebat verontwaardigd: "Hoe schandalig deloyaal kan procesgedrag worden, als het zo manifest duidelijk is wat men werkelijk moet doen?" In de fiscale praktijk is dat niet ongewoon en voor de buitenlandse aanvullende pensioenen is het zelfs schering en inslag. En het gaat van kwaad naar erger.
Fiscaal betekende dit dat de bijdrage niet langer een werkgeversbijdrage was, maar een persoonlijke bijdrage betaald met privégeld ná belasting. Het principe van de communicerende vaten houdt in dat als iets wordt opgebouwd zonder fiscaal voordeel, de uitkering belastingvrij is. Concreet, het aanvullend pensioen opgebouwd in het buitenland vóór 2004 heeft geen fiscaal voordeel genoten in België en moet dus nu in België vrijgesteld worden van belastingen.
Het Hof van Cassatie heeft dit voor het eerst in 2002 met zoveel woorden bevestigd. Een loyale overheid zou dan de gevolgen moeten aanvaarden. Niet hier natuurlijk. Bijna twintig jaar later zijn er nagenoeg iedere week nog rechterlijke uitspraken nodig om dit af te dwingen, op kosten van al die belastingplichtigen. Hallucinant, ook de wijze waarop.
Geruchten doen de ronde dat men ook overweegt om met een interpretatieve wet de geschiedenis te herschrijven. Het is een raadsel hoe men dat gaat doen, hoe men een wet van 2004 met terugwerkende kracht gaat interpreteren om te zeggen dat het vóór 2004 anders was. Dat is de rechtsstaat onwaardig. De mijnwerkers kregen geen interpretatieve wet om een manifeste berekeningsfout van de overheid over hun pensioenen te corrigeren. Maar als de overheid te weinig belastingen int, komt een interpretatieve wet vlotjes aan bod.
Dit artikel verscheen op 01/06/2021 voor Trends Money Talk. U kan het bronbestand hier raadplegen.
Fraudeurs van Vlaamse belastingen worden voortaan zwaarder gesanctioneerd: verhoging strafrechtelijke geldboetes in de Vlaamse Codex Fiscaliteit en bijgevolg ook de geldsom bij minnelijke schikkingen
Middels decreet van 2 april 2021 houdende diverse technische wijzingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit1 werd een reeks technische en inhoudelijke aanpassingen aangebracht aan de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), waaronder de forse verhoging van de strafrechtelijke geldboeten. Vooreerst werden de wettelijk voorziene maximumgeldboeten aangepast aan de geldboetes die gelden in de andere gewesten. Concreet impliceert dit dat alle maximumboeten van 125.000 euro of 12.500 euro opgetrokken werden tot 500.000 euro.
COLUMN TRENDS: Waarom zou u kosten maken bij een private bank, als het ook goedkoper kan bij de Bank van de Staat?
Koen Van Duyse bespreekt in zijn columns voor het magazine Trends actuele fiscale onderwerpen met een kritische pen.
'Beleggen bij zichzelf of bij de eigen familie kan, en dat met een onmiddellijke belastingvermindering van 20 procent. Dat leidt tot een rendement van 4 procent op jaarbasis. Wie gelooft in zijn eigen onderneming, en al zeker als hij weet dat er geen enkel risico op verlies is, aarzelt toch niet?' zegt Koen Van Duyse, partner van Tiberghien Advocaten.
In maart vorig jaar schreef ik over het effect van de lockdown op de belastbaarheid van bezoldigingen in een grensoverschrijdende context. Ik kon toen niet vermoeden dat ik meer dan één jaar later nog altijd over fiscale covidmaatregelen zou schrijven. Jammer genoeg blijft het actueel. Eerder deze maand werden opnieuw tijdelijke ondersteuningsmaatregelen genomen om negatieve financiële gevolgen van de pandemie op te vangen. Ook dit jaar valt een nieuwe fiscale koterij ons te beurt, weliswaar gelijkaardig als vorig jaar. Wie tussen 1 januari en 31 augustus van dit jaar geld ter beschikking stelt aan ondernemingen die hun omzet sterk hebben zien dalen, krijgt een belastingvermindering van 20 procent.
Als u in de eerste acht maanden van dit jaar het kapitaal verhoogt van een vennootschap met een omzetverlies van minstens 30 procent in de periode van 2 november 2020 tot 31 december 2020 in vergelijking met dezelfde periode in 2019, krijgt u een belastingvermindering van 20 procent. De vennootschap moet klein zijn: niet meer dan vijftig werknemers, een omzet lager dan 9 miljoen euro en een balanstotaal van minder dan 4,5 miljoen euro. Het mag ook niet gaan om een vennootschap die hoofdzakelijk belegt in onroerend goed of die voornamelijk management- of bestuurdersactiviteiten uitvoert. Noteer dat u ook mag beleggen in een vennootschap in een ander land van de Europese Unie. Dus Sven Ornelis, spreek eens met uw lievelingsrestaurant in Barcelona en suggereer dat u mee kan participeren. De Belgische schatkist zal u voor 20 procent financieren.
Niets belet dat de eigenaar van de vennootschap zelf of de bedrijfsleider ervan de investering doet. Ook voor echtgenoten of kinderen van de ondernemer is er geen beletsel. Beleggen bij zichzelf of bij de eigen familie kan dus en dat met een onmiddellijke belastingvermindering van 20 procent. Dat leidt dus tot een rendement van 4 procent op jaarbasis. Wie gelooft in zijn eigen onderneming, en al zeker als hij weet dat er geen enkel risico op verlies is, aarzelt toch niet? Wees ervan overtuigd, er zal vooral in veilige, levensvatbare bedrijven worden geïnvesteerd.
Dit artikel verscheen op 20/04/2021 voor Trends Money Talk. U kan het bronbestand hier raadplegen.