Toon items op tag: Banking & Finance
Crypto: Weigeren banken fiat (te geven)?
Recent verschenen er heel wat berichten in de media betreffende cryptobeleggers die hun crypto-inkomsten, eens omgezet naar fiat, maar moeilijk van de exchange naar hun reguliere bankrekening krijgen. Dit is een problematiek die ook wij in menig dossier vaststellen. Gelden die afkomstig zijn vanop een cryptoplatform worden veelal gecontroleerd, wat vrijwel meteen aanleiding geeft tot vragen naar de herkomst van het vermogen en zelfs de bevriezing van de tegoeden tot gevolg kan hebben.
Maar hoe kan u zich voorbereiden op de overschrijving van gelden van de exchange naar uw ‘traditionele’ bank? Naar welke informatie peilt men en welke details bent u beter indachtig, ook in going concern?
Hieronder hebben we het over de informatie die banken veelal opvragen wanneer u winsten uit cryptomunten (in euro’s) heeft overgeschreven of wilt overschrijven naar uw reguliere bankrekening. Hierbij zijn historiek en transparantie alvast de niet te vergeten kernwoorden.
Framework voor informatie-inwinning
Veel (groot)banken stelden reeds een framework op dat aangeeft op basis van welke informatie de compliance afdeling kan oordelen of de gelden in eer en geweten – en binnen het geldend wetgevend kader – kunnen worden toegelaten. Gelet op meerdere waarschuwingen van de (internationale) financiële autoriteiten en de recent strenger geworden anti-witwaswetgeving, willen banken immers voldoende kennis hebben van de concrete situatie in het dossier om comfortabel de gelden te kunnen aanvaarden.
In de praktijk zien wij dat het zwaartepunt van deze frameworks liggen bij:
- de herkomst van de gelden;
- de munten/producten waarin geïnvesteerd werden;
- de gebruikte platformen en exchanges;
- de fiscale conformiteit van de verkregen inkomsten;
Het is belangrijk om op te merken dat (nog) niet alle banken een crypto-policy ontwikkeld hebben en er tussen banken niet te verwaarlozen verschillen op te merken zijn. Terwijl enkele banken de munten quasi volledig schuwen, aanvaarden andere banken alleen de inkomsten verkregen uit welbepaalde ‘klassieke’ munten (zoals Bitcoin en Ethereum). Nog andere banken duiken dan weer wel minutieus in de feiten van het dossier om een concrete en onderbouwde analyse te verrichten met het oog op al dan niet aanvaarding. Een constructieve houding is hier en daar dus zeker te vinden.
Eerst zien en dan geloven
Uiteraard wordt bij een aanvaardingsproces veelal niet zomaar genoegen genomen met enkele verklaringen en screenshots van platformen. In de praktijk merken wij dat banken een volledig dossier wensen te ontvangen met een gedetailleerde weergave van de historiek van niet alleen alle transacties, maar ook van de gebruikte platformen en alle munten waarin ooit werd geïnvesteerd.
Een belangrijk aspect hierbij betreft de fiscale conformiteit van de inkomsten (lees er hier meer over in een voorgaand artikel): kunt u onderbouwen waarom de door u genoten inkomsten uit het verleden niet aangegeven moesten worden? In voorkomend geval moet dit verleden worden geremedieerd middels een fiscale regularisatie. Indien de inkomsten eventueel nog moeten worden opgenomen in een toekomstige aangifte personenbelasting, wordt in bepaalde gevallen een fiscale ruling als één van de toelaatbaarheidsvereisten vooropgesteld. Een fiscale ruling is immers een beslissing waarbij de FOD Financiën aangeeft hoe de belastingwetten op een specifieke situatie dienen te worden toegepast, wat de belastingplichtige – maar ook de banken – rechtszekerheid geeft omtrent de fiscale conformiteit van de inkomsten. Uiteraard moet hierbij wel sprake zijn van een voorafgaand karakter opdat de rulingcommissie zich nog kan uitspreken over het dossier (alsook meer informatie rond dit onderwerp in een voorgaand artikel).
Spontane transfer
Vaak trachten cryptobeleggers hun opbrengsten over te schrijven naar hun Belgische bankrekening zonder de bank hierover te informeren. Veelal betreft dit dan een transfer naar de instelling vanwaar men oorspronkelijk ook de gelden heeft overgemaakt naar het platform. Het idee leeft dat er in dergelijke geval geen discussie kan bestaan om de fondsen te aanvaarden daar de bank op de hoogte is van de herkomst.
Het is inderdaad correct dat hier alvast – indien kan worden aangetoond dat alle fondsen te herleiden zijn tot de initiële transfer – geen discussie kan bestaan omtrent de herkomst van de fondsen. Echter, de overige punten in het hierboven geschetste framework zijn hierbij niet gecontroleerd. Banken zullen deze zaken dus alsnog onderzoeken.
Indien tijdens een later onderzoek blijkt dat men alsnog niet past binnen het framework, zullen de banken niet aarzelen om de rekening gelieerd aan deze fondsen te blokkeren en het dossier melden aan de CFI (Cel voor Financiële Informatieverwerking). Onnodig gezegd dat dit een zeer oncomfortabele situatie is die absoluut dient te worden vermeden.
Conclusie
Alvorens u opbrengsten van cryptomunten gaat overschrijven naar uw Belgische bankrekening is het belangrijk om vooraf uw dossier op orde te hebben. Slechts indien uw dossier sluitend is, is een vlotte aanvaarding door de bank mogelijk. Het alternatief waarbij men als het ware met de ogen dicht fondsen gaat overschrijven in de hoop dat er geen vragen worden gesteld, is absoluut te vermijden daar men geen zekerheid verkrijgt omtrent de definitieve aanvaarding van de tegoeden. Menige financiële instelling aarzelt op dit ogenblik immers niet om cliënten die niet kunnen aantonen dat de tegoeden op hun rekening hun fiscaliteit in België hebben ondergaan, alsnog naderhand hun rekening te blokkeren.
Pieter Souffriau - Partner (pieter.souffriau@tiberghien.com)
Mitchell Hoefman - Senior Associate (mitchell.hoefman@tiberghien.com)
Emma Lermyte - Associate (emma.lermyte@tiberghien.com)
COLUMN TRENDS: Ook topkunst heeft een veilige haven nodig
Koen Van Duyse bespreekt in zijn columns voor het magazine Trends actuele fiscale onderwerpen met een kritische pen.
"De nuancering dat via het buitenland kan worden belegd in kunst met zuiver geld, moet ook haar weg in de media vinden.", zegt Koen Van Duyse, partner van Tiberghien Advocaten.
De Tijd onthulde in haar editie van 29 januari dat meer dan 1.600 peperdure kunstwerken opdoken in de Panama Papers. Ze werden verzameld en verhandeld via constructies in belastingparadijzen. In de rand van het artikel werd professor Luc De Broe, hoogleraar fiscaal recht aan de KU Leuven, gevraagd commentaar te geven. Die verklaarde dat hij "alleen maar kon vermoeden dat Belgen die kunst kopen en verkopen via een buitenlandse, exotische constructie dat doen met geld dat niet zo fris is". Hij zag geen andere fiscale reden, "want de kunstcollecties kunnen in Belgische private stichtingen worden ondergebracht, die doorgaans opereren in een onbelast klimaat."
Net als covid-experts zijn ook fiscale experts het regelmatig oneens met elkaar. En dat is goed, want een open volwassen debat brengt iedereen naar een hoger niveau. Mag ik daarom dit medium gebruiken om de stellingen van confrater De Broe op een hoffelijke manier te nuanceren, weliswaar zonder een manifest na te streven.
Het argument om te stellen dat het wel onfris geld móét zijn, is dat het Belgisch vekihel van de private stichting niet wordt gebruikt. Er wordt dus blijkbaar van uitgegaan dat een instrument in het buitenland zoeken per definitie verdacht is. Ook dat is te algemeen.
Een voorbeeld uit de praktijk. Kort na de invoering van de private stichting wilde een referentieaandeelhouder van een onderneming die onder de financiëletoezichtswetgeving viel zijn (frisse) aandelenparticipatie onderbrengen in een private stichting. In stilte gaf de toezichthouder de hint om dat toch maar niet te doen. De continuïteit van de Belgische wetgeving en haar fiscale kader was (is) namelijk hoogst onzeker. De toezichthouder suggereerde om naar het buitenland uit te wijken en daar de eeuwenoude veilige haven van het Nederlandse stichting-administratiekantoor op te zoeken. Ook topkunst heeft een veilige haven nodig, leren crisis- en oorlogstijden.
Confrater De Broe stelt ook dat er geen fiscale reden is om uit te wijken naar het buitenland. Er zou hier een onbelast klimaat heersen. Dat is het iets te mooi voorstellen. Meer dan honderd jaar geleden werd in België een zuivere vermogensbelasting ingevoerd. De jaarlijkse taks van 0,17 procent wordt berekend op het totale vermogen van vzw's en is sinds de invoering van de private stichting ook van toepassing op die stichtingen. Met andere woorden: een Belgische private stichting die voor 22 miljoen euro de versnipperde Love is in the Bin van Banksy bij Sotheby's heeft gekocht, moet elk jaar opnieuw 37.400 euro belasting betalen, terwijl dat kunstwerk niets opbrengt, maar wel beveiliging kost.
Controlebehoud bij aandelen: de Belgische PSAK of de Nederlandse STAK?
In het kader van een successieplanning van aandelen, komen we bij de vraag naar controlebehoud al gauw uit bij de certificering van aandelen. Kort gezegd komt het erop neer dat ouders die hun aandelen willen overdragen naar de volgende generatie of personen die een gecentraliseerde controle van de stemrechten willen organiseren, hun aandelen overdragen ter certificering aan een administratiekantoor, dat hiervoor certificaten uitgeeft.
Lees hier het volledige artikel dat verscheen in Vermogensplanning in de Praktijk, 2021/3.
De Belgische ELTIF: klaar voor lancering in 2022?
ELTIF geïntroduceerd medio 2021
Bij wet houdende diverse bepalingen van 27 juni 2021 (B.S. 9 juli 2021) werd het regime van een European Long Term Investment Fund (hierna “ELTIF”) ingeschreven in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders. Met deze wet kon het regime van de Europese ELTIF eindelijk in werking treden in het Belgische recht nadat er toch al enige tijd een EU-verordening in die zin bestond (EU-verordening 2015/760 van 29 april 2015). Hoewel er daar initieel wat verwarring over bestond, kan de ELTIF wel degelijk als afzonderlijke entiteit door het leven gaan (en dus niet enkel als “label”).
JTER: Publicatie van het aangifteformulier - Formulier voor erkenning aansprakelijke vertegenwoordiger
Voor de financiële instellingen nadert de aangifte- en betalingstermijn van de JTER m.b.t. de eerste referentieperiode eindigend per 30 september 2021 zeer snel. De deadline is, zoals geweten, 20 december 2021.
Zoals steeds vergt dit een hoop administratieve last voor de betrokken financiële instellingen, maar zo blijkt ook voor de nodige frustraties en onduidelijkheden.
JTER: Wat zijn de mogelijkheden en verplichtingen voor buitenlandse tussenpersonen? Buitenlandse inrichtingen van Belgische banken of vermogensbeheerders worden door fiscus beschouwd als Belgische tussenpersoon
1. Mogelijke situaties
In principe dienen Belgische inwoners die een effectenrekening in het buitenland aanhouden, zelf al het nodige doen voor de aangifte en betaling van de JTER. De buitenlandse tussenpersoon geeft dan gewoonlijk wel de nodige informatie aan de titularis van de effectenrekening om zelf zijn/haar verplichtingen te kunnen vervullen. Het gaat hier dan louter om een commerciële ondersteuning.
Volgens de FAQ van de administratie, zijn er drie situaties waarin een buitenlandse tussenpersoon behandeld wordt als een Belgische tussenpersoon met alle gekende verplichtingen inzake aangifte, inhouding en betaling van de JTER, alsook inzake informatieverplichtingen ten aanzien van de (Belgische) titularissen van de effectenrekening:
- Vooreerst gaat het om een buitenlandse inrichting van een in België opgerichte tussenpersoon: het gaat hier immers om dezelfde juridische entiteit, ook al is de inrichting in het buitenland gevestigd. Zie FAQ nr. 53.
- Andere buitenlandse tussenpersonen worden gelijkgesteld met een Belgische tussenpersoon wanneer zij een erkende aansprakelijk vertegenwoordiger hebben laten aanstellen. Zowel die tussenpersoon als diens aansprakelijke vertegenwoordiger zijn dan belastingschuldige van de taks.
- Een in het buitenland opgerichte tussenpersoon die in België is gevestigd, is eveneens belastingschuldige van de taks.
Volledigheidshalve dient ook nog gepreciseerd dat de niet in België opgerichte of gevestigde tussenpersoon, die geen dergelijke aansprakelijke vertegenwoordiger heeft aangesteld, kan overgaan tot de aangifte en de betaling van de taks, in naam en voor rekening van de titularis van de effectenrekening, en dit op vrijwillige basis als dienstverlening aan de klant. Dat houdt in dat die tussenpersoon in het bezit is van een mandaat. In deze situatie zijn niet de aangifte- en de betalingstermijn van een Belgische tussenpersoon van toepassing, maar wel die van een Belgische titularis van een effectenrekening.
Het is wel bijzonder eigenaardig dat een buitenlandse inrichting van een in België opgerichte tussenpersoon de taks ook moet inhouden en betalen, alsook alle formaliteiten hiervoor moet vervullen naar de belegger toe.
Dit volgt uit FAQ nr. 53: “Er wordt benadrukt dat een in het buitenland geopende effectenrekening, uitsluitend aanleiding kan geven tot de taks, indien ze wordt aangehouden door (minstens) één inwoner, of door de Belgische inrichting van een niet-inwoner voor zover die effectenrekening deel uitmaakt van het bedrijfsvermogen van die inrichting.
In dat geval verschilt de belastingschuldige al naargelang de effectenrekening al dan niet wordt aangehouden bij een buitenlandse vaste inrichting waarover een in België opgerichte tussenpersoon beschikt.
Indien dat wel het geval is, is die tussenpersoon belastingschuldige van de taks, ondanks het feit dat de effectenrekening in het buitenland wordt aangehouden. De voormelde tussenpersoon kwalificeert immers als Belgische tussenpersoon.”
Dit standpunt is inderdaad eigenaardig omdat voor de beurstaks, die ook een diverse taks is, een buitenlandse vaste inrichting van een Belgische tussenpersoon niet beschouwd wordt als een Belgische tussenpersoon.
2. Hoe een aansprakelijk vertegenwoordiger laten erkennen?
Een deel van de regels vindt men hierover terug in het uitvoeringsKB van 6 augustus 2021. De buitenlandse tussenpersoon dient daarvoor een verzoek in te dienen bij het bevoegde kantoor (art. 240 7 ter KB/WDRT). In de FAQ van de administratie vindt men de coördinaten van deze bevoegde kantoren.
Dit verzoek gaat gepaard met een gedagtekende en ondertekende verklaring waarin de voorgestelde aansprakelijke vertegenwoordiger zich tegenover de Belgische Staat hoofdelijk verbindt om:
- De taks te betalen die de niet in België opgerichte tussenpersoon verschuldigd zou zijn, en
- Alle verplichtingen te vervullen waartoe een Belgische tussenpersoon gehouden is.
Zo is hij mee hoofdelijk gehouden met de buitenlandse tussenpersoon tot:
- het opstellen van het overzicht over de situatie van de effectenrekening(en) die worden aangehouden door de titularis;
- het overmaken van het overzicht aan de titularis(sen) uiterlijk de laatste dag van de maand die volgt op het einde van de referentieperiode;
- het indienen van de aangifte en het betalen van de taks binnen de geldende termijn.
Om erkend te worden en te blijven, moet de aansprakelijke vertegenwoordiger:
- bekwaam zijn om contracten aan te gaan;
- in België gevestigd zijn en er een ondernemingsnummer hebben;
- voldoende solvabel zijn om de verplichtingen te kunnen nakomen waartoe hij gehouden zal zijn vanaf de datum van zijn erkenning.
In principe gebeurt de kennisgeving van de erkenning of afwijzing binnen de acht dagen na de bevestiging van de ontvangst van het verzoek tot erkenning. Evenwel indien er binnen deze acht dagen nog documenten worden opgevraagd, dan dient deze kennisgeving van de al dan niet erkenning slechts gedaan te worden binnen de acht dagen na de ontvangst van die documenten.
De erkenning heeft uitwerking vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de kennisgeving van de erkenning aan de erkende aansprakelijke vertegenwoordiger.
Van zodra één of meerdere voorwaarden niet meer zijn vervuld, geeft de erkende aansprakelijke vertegenwoordiger daarvan kennis bij aangetekende zending aan het bevoegde kantoor.
In bepaalde situaties kan de erkenning ook ingetrokken worden.
3. Verdere vragen of begeleiding
Hiervoor kan u altijd contact opnemen met ons:
Dirk Coveliers - Counsel (dirk.coveliers@tiberghien.com)
Yannick Cools - Associate (yannick.cools@tiberghien.com)
Jaarlijkse taks op effectenrekeningen (JTER): de langverwachte circulaire van de Centrale Administratie is eindelijk verschenen.
Vandaag, 8 oktober 2021, verscheen de langverwachte circulaire van de Centrale Administratie met preciseringen over de toepassing van de JTER (klik hier).
De wet op de nieuwe jaarlijkse taks op effectenrekeningen (JTER) werd reeds gepubliceerd op 25 februari 2021 en is sinds de dag nadien van toepassing.
De eerste referentieperiode voor de berekening van de gemiddelde belastbare grondslag liep reeds af op 30 september 2021 en de Belgische tussenpersonen, alsook de buitenlandse tussenpersonen die ermee gelijkgesteld worden doordat zij een aansprakelijk vertegenwoordiger hebben aangesteld, dienen dan binnen de maand (tegen uiterlijk 31 oktober 2021) een overzicht te bezorgen aan de titularissen van effectenrekeningen (art. 201/7 W.DRT.)
Deze administratieve verduidelijkingen komen dus rijkelijk laat. Zij laten aan de financiële tussenpersonen niet meer toe om de IT-programma’s eventueel aan te passen mochten er verschilpunten zijn tussen de visie van administratie en de interpretatie van de financiële sector. Vanuit de optiek van een behoorlijk bestuur van de administratie had deze FAQ naar onze mening beter veel eerder moeten verschijnen.
Want er zijn inderdaad een aantal opmerkelijke punten.
Zonder limitatief te zijn sommen wij er al drie op;
- Een bijzondere visie over de subrekening van een effectenrekening die gebruikt wordt voor geldmiddelen en/of deviezen.
- Een ruimere visie over de financiële instrumenten op een effectenrekening die tot de belastbare grondslag behoren.
- Een andere berekening van de waarde van beursgenoteerde afgeleide producten.
Hierna volgt wat uitleg hierbij.
1. Cash geld of deviezen aangehouden op een subrekening van de effectenrekening
Om te berekenen of de waarde van de effectenrekening al dan niet de grens van 1 miljoen euro overschrijdt, dient rekening gehouden te worden met “alle financiële instrumenten, zoals onder meer die bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, en geldmiddelen, die worden aangehouden op een effectenrekening” (art. 201/3, 4° W.DRT.)
De vraag stelde zich wanneer de geldmiddelen al dan niet in aanmerking genomen moeten worden en meer bepaald wat met geldmiddelen aangehouden op een subrekening van de effectenrekening.
De Minister van Financiën heeft daarop in de parlementaire werkzaamheden gepreciseerd dat “de taks van toepassing is op de waarde van alle elementen die worden aangehouden op een effectenrekening, dat wil zeggen de totale waarde van alle soorten financiële instrumenten en het geldsaldo dat, per definitie, tijdelijk wordt aangehouden op een effectenrekening. Dergelijk geldsaldo zal in wezen tijdelijk en van voorbijgaande aard zijn en daarom zou de methode voor de berekening van de belastbare grondslag, de impact ervan in grote mate moeten verminderen.
Het is duidelijk dat de onderwerping aan de taks zich niet uitstrekt tot een geldrekening die gekoppeld is aan een effectenrekening, of tot een zogenaamde geldsubrekening die afzonderlijk werkt en die enkel met een effectenrekening wordt geïntegreerd in het kader van de rapportering aan klanten.”
Wat de minister juist bedoelde met die “afzonderlijke werking” was niet duidelijk.
In de FAQ van de Administratie wordt nu onder de nummers 13 en 34 verduidelijkt dat “die functionele autonomie met zich meebrengt dat ” alle verrichtingen die door middel van een zichtrekening kunnen worden verwezenlijkt, door middel van een subrekening kunnen worden gesteld.”
Met andere woorden: de subrekening moet de eigenschappen hebben van een betaalrekening om niet bijgevoegd te worden bij de effectenrekening.
De interpretatie van de administratie lijkt ons echter contra legem te zijn omdat de JTER enkel effectenrekeningen viseert, dit wil zeggen “rekening(en) waarop financiële instrumenten mogen worden gecrediteerd of gedebiteerd”. Door te stellen dat een sub-rekening eveneens onder dat begrip valt, tenzij hij kan voldoen aan alle betaalverrichtingen die op een zichtrekening mogelijk zijn, verruimt zij de definitie van effectenrekening. Deze verruimde opvatting lijkt juridisch gezien sterk voor betwisting vatbaar.
2. Een ruimere visie over de financiële instrumenten op een effectenrekening die tot de belastbare grondslag behoren
In de financiële sector gaat men ervan uit dat enkel verhandelbare financiële producten op effectenrekening in aanmerking genomen moeten worden voor de berekening van de JTER. Zij vindt dat de effectenrekening gedefinieerd moet worden vanuit haar functie in de effectenafwikkeling van ‘girale’ effecten. De belastbare financiële instrumenten zijn dan ook instrumenten die in dit systeem worden aangehouden. Enkel gedematerialiseerde of geïmmobiliseerde (t.t.z. fysieke effecten opgenomen in een CSD) effecten zijn ‘girale’ effecten. Zij steunt zich daarvoor op artikel 3 van de (EU) verordening nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014.
Bijgevolg vallen volgens haar niet onder de taks, de instrumenten die door hun inschrijving op een effectenrekening niet giraal geworden zijn, maar enkel ter informatie worden weergegeven op de effectenrekening, zoals de nominatieve effecten waarvan de eigendomstitel enkel blijkt uit de inschrijving in het nominatief register), OTC-contracten waarvan de rechten blijken uit het contract (en niet de inschrijving op de effectenrekening), louter informatief ingeschreven fysiek goud, …
De Centrale Administratie ziet dit echter ruimer. Volgens haar viseert de JTER het medium 'effectenrekening' ongeacht de aard van de instrumenten die erop worden aangehouden. Zo werd het begrip 'belastbare financiële instrumenten' volgens haar exemplatief geformuleerd, in plaats van exhaustief. (FAQ nr. 33)
De financiële instrumenten op naam of de contracten inzake afgeleide instrumenten op naam, worden volgens de Centrale Administratie eveneens geviseerd door de JTER, indien deze op een effectenrekening worden aangehouden.
Deze ruime interpretatie en toepassing van de taks op alle financiële instrumenten op een effectenrekening beantwoordt aan de bekommernis om niet te moeten justifiëren onder het gelijkheidsbeginsel waarom bepaalde effecten op een effectenrekening wel en andere niet onderworpen worden aan deze nieuwe taks.
3. Een andere berekening van de waarde van beursgenoteerde afgeleide producten
De wet van 17 februari 2021 tot invoering van een jaarlijkse taks op effectenrekeningen voorziet niet uitdrukkelijk in waarderingsregels van de financiële instrumenten op de effectenrekening.
Volgens de financiële sector kunnen dezelfde regels hernomen worden als degene die toegepast werden onder de eerste versie van de inmiddels afgeschafte TER.
De Centrale Administratie bevestigt deze zienswijze onder nummer 41 van haar FAQ.
Voor de waardering van de belastbare financiële instrumenten in het kader van de toepassing van de JTER, wordt een onderscheid gemaakt tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde financiële instrumenten:
De in aanmerking te nemen waarde op het referentietijdstip is de volgende:
a. voor beursgenoteerde financiële instrumenten: de slotkoers van het financieel instrument.
Wanneer er op één van de referentietijdstippen geen notering is, wordt de slotkoers bepaald op basis van de laatste beschikbare notering.
b. voor de niet-beursgenoteerde gemeenschappelijke beleggingsfondsen of beleggingsvennootschappen: de op het referentietijdstip laatst publiekelijk beschikbare netto-inventariswaarde.
c. voor de andere niet-beursgenoteerde financiële instrumenten:
- de waarde waarvoor het instrument is opgenomen in het laatst beschikbare overzicht van de financiële instrumenten dat de financiële tussenpersoon aan de titularis moet toezenden. Het gaat om de driemaandelijkse staat die wordt opgesteld in overeenstemming met de informatieverplichting die rust op de tussenpersoon in het kader van de MiFID II reglementering (19);
- wanneer het financieel instrument niet is opgenomen in het in het eerste streepje bedoelde overzicht van de financiële instrumenten: de laatst publiekelijk beschikbare marktwaarde, of bij gebrek daaraan, de naar best vermogen geschatte waarde.
Voor het specifieke geval van beursgenoteerde afgeleide producten kan de waarde van die instrumenten op de referentietijdstippen positief of negatief zijn. En hiervoor is er een specifieke visie van de administratie terug te vinden in de FAQ. Deze laatste meent dat een negatieve waarde tot nul moet worden herleid, behalve indien de waarde van het product, zoals vastgesteld in de uitgiftevoorwaarden, negatief kan zijn op het ogenblik van de uitoefening van het recht of op de vervaldag.
Dit standpunt lijkt ons moeilijk verantwoordbaar indien we de vergelijking maken met bijvoorbeeld het aanhouden van dergelijke producten via een ICB, waar wél steeds rekening gehouden wordt met een negatieve waarde bij de berekening van de inventariswaarde van de aandelen van het fonds.
Voor verdere vragen hierover, aarzel niet om ons te contacteren:
Dirk Coveliers - Counsel (dirk.coveliers@tiberghien.com)
Yannick Cools - Associate (yannick.cools@tiberghien.com)
Nieuwe doorgedreven prudentiële verplichtingen voor financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen
Het lijkt erop dat de Nationale Bank van België (NBB) het vuur aan de schenen legt van de financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen (met vergunning voor levensverzekerings-activiteiten) om interne controles te verrichten teneinde de rechtmatigheid van de oorsprong van eerder gerepatriëerde tegoeden voldoende te kunnen staven, alsook om na te gaan of zij als belastingschuldigen de nodige taksen inhouden en de uitwisseling van informatie correct toepassen op risico van zich schuldig te maken aan een bijzonder mechanisme, dat strafrechtelijk beteugeld kan worden en waardoor zij eventueel hun licentie kunnen verliezen.
COLUMN TRENDS: Lokale fiscale ambtenaren zijn alle autonomie kwijt. Er is geen passend lokaal maatwerk meer
Koen Van Duyse bespreekt in zijn columns voor het magazine Trends actuele fiscale onderwerpen met een kritische pen.
'Het is niet omdat er veel aangiften elektronisch worden ingediend, en steeds meer, dat daardoor de dienstverlening verbeterd is', zegt Koen Van Duyse, partner van Tiberghien Advocaten.
De aangifteperiode is het seizoen bij uitstek waarin de dienstverlening door de fiscale overheid in al haar scherpte op de proef wordt gesteld. Laten we met de deur in huis vallen: het is niet omdat er veel aangiften elektronisch worden ingediend, en steeds meer, dat daardoor de dienstverlening verbeterd is.
Mensen weten ook niet meer waar ze terecht kunnen. Ze kunnen ook nergens meer terecht. Een inwoner van Knokke-Heist die vroeger aan haar buurman een fiscaal woonplaatsattest kon vragen om mee te brengen, moet nu naar Brugge en krijgt daar dan de melding dat ze het moet downloaden. Gepensioneerden en anderstaligen begrijpen het woord amper, laat staan dat ze het zelf kunnen. Als men een vraag heeft, weet men ook niet meer wie de bevoegde persoon is. Hoe vaak belt zelfs een professional naar een algemeen nummer en krijgt die als antwoord dat men een e-mail moet sturen die dan wel beantwoord zal worden?
Organisatorisch is dat ongetwijfeld efficiënt, alhoewel. Alle macht is centraal verankerd bij een beperkt aantal personen, ver weg van de burger. De roep van Joachim Coens voor meer nabijheid spreekt me sterk aan. De kloof tussen beleid en burger zo klein mogelijk houden. Dienstverlening die dat miskent, is geen goede dienstverlening. Ook de ex-CEO van Danone verklaarde vorig weekend in Het Financieele Dagblad dat de toekomst lokaal is en dat centralisatie en standaardisatie managementconcepten uit het verleden zijn.
Dit artikel verscheen op 14/07/2021 voor Trends Money Talk. U kan het bronbestand hier raadplegen.
Evoluties en aandachtspunten Nederlandse STAK
Recent werden in Nederland enkele wetswijzigingen doorgevoerd die in de praktijk gevolgen (zullen) hebben voor Nederlandse stichtingen, waaronder ook de Nederlandse Stichting Administratiekantoor.