Context
De buschauffeurs-zaak over de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid gaat al terug tot aanslagjaar 2012. Een busmaatschappij had de vrijstelling toegepast voor chauffeurs die in een ochtend- en namiddagploeg bepaalde buslopen uitvoerden.
De fiscus weigerde dat, omdat de chauffeurs volgens de Belgische Staat niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden voor ploegenarbeid.
Het hof van beroep te Antwerpen stelde vast dat er wel degelijk sprake was van ‘ploegen’. Voor bepaalde buslopen werd geen vrijstelling meer gevraagd, onder meer omdat de overlap te groot was of omdat er twee aflossingen waren. Voor de resterende buslopen werd de vrijstelling wel aanvaard.
De Belgische Staat stelde vervolgens een cassatieberoep in, omdat “al” het werk in aanmerking zou moeten genomen worden en dat werk “identiek” zou moeten zijn.
Daarop legde het Hof van Cassatie de kwestie voor aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de wettelijke regeling niet ongrondwettig was wanneer zij niet geldt voor vergelijkbaar werk.
Daarna sprak het Hof van Cassatie zich definitief uit: het arrest van het hof van beroep te Antwerpen werd vernietigd, omdat het sprak over “vergelijkbaar” werk terwijl de wet het heeft over “hetzelfde” werk.
De zaak werd daarop verwezen naar het hof van beroep te Gent.
Standpunt fiscus
Na de terugverwijzing naar het hof van beroep Gent, bleef de fiscus van mening dat er geen sprake was van ploegenarbeid. Daarbij wees zij onder meer op het feit dat de chauffeurs niet altijd op dezelfde plaats wisselden, de ochtend- en namiddagploeg niet exact dezelfde trajecten reden, de duur van de prestaties verschilde en de plaats van aflossing niet noodzakelijk de stelplaats was. De fiscus hield met andere woorden vast aan het standpunt dat de ploegen niet hetzelfde werk deden.
Verder werd aangevoerd dat de omvang niet dezelfde was, omdat de ochtend- en namiddagploeg niet exact even lang werkten.
Standpunt hof van beroep
Het hof volgt de fiscus niet.
Volgens het hof verrichten de ploegen van chauffeurs inhoudelijk hetzelfde werk: zij verzorgen lijnbusdiensten voor een openbare vervoersmaatschappij. Dat de exacte route, beginplaats, eindplaats of ritindeling kan verschillen, veranderen niets aan dat oordeel. Het hof stelt daarnaast dat het niet vereist is dat de aflossing in de stelplaats gebeurt.
Ook qua omvang is het werk volgens het hof voldoende gelijk. Het verschil tussen de ochtend- en namiddagploeg bedraagt 49 minuten. In verhouding tot de totale werktijd komt dat neer op ongeveer 5,13% tegenover 4,88%, wat volgens het hof binnen aanvaardbare toleranties valt. Belangrijk is dus dat het hof oordeelt dat de wet voor aanslagjaar 2012 geen exacte mathematische gelijkheid eist. Als geëist zou worden dat de omvang van het werk letterlijk identiek is, zou de regeling in de praktijk bijna nooit kunnen worden toegepast op lijnbusdiensten, omdat dienstregelingen nu eenmaal verschillen.
Het hof verwijst ook naar latere ontwikkelingen, waaronder de administratieve circulaire (2025/C/50) en de wetswijziging waarbij voor de klassieke vrijstelling een tolerantie van 10% werd ingevoerd. Die latere regeling is niet rechtstreeks beslissend voor aanslagjaar 2012, maar ondersteunt wel de redenering dat kleine verschillen in omvang niet automatisch fataal zijn.
Belang
Aangezien de buschauffeurs-zaak gaat over aanslagjaar 2012, was de zogenaamde bis-variant niet van toepassing op de feiten. Toch oordeelt het hof van beroep Gent nu duidelijk dat ook voor de klassieke vrijstelling ploegenarbeid de vereiste van “hetzelfde” werk qua omvang niet per se identiek werk betekent.
Voorts verduidelijkt het hof dat ook het begrip “hetzelfde” werk qua inhoud geen al te rigide invulling mag krijgen en dat het ontbreken van een vaste aflossingsplaats, niet verhindert dat er sprake kan zijn van ploegenarbeid.
Tiberghien adviseerde in dit dossier over de fiscale draagwijdte van de vrijstelling voor ploegenarbeid. De gerechtelijke procedure werd gevoerd door de raadslieden van de belastingplichtige (mr. Brecht Cops en mr. Marjolein Denys).







