Het Grondwettelijk Hof werd meermaals verzocht om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van deze sanctie in de vorm van een aftrekverbod met het Grondwettelijk legaliteitsbeginsel (cf. artikel 170 GW) en gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10, 11 en 172 GW, in het bijzonder wanneer de toepassing ervan afhankelijk is van discretionaire beslissingen van de fiscale administratie (zoals de beslissing om al dan niet een belastingverhoging toe te passen, of al dan niet een ambtshalve aanslag te vestigen).
In zijn arresten van 19 juni 2025 en 9 april 2026 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het aftrekverbod (zelfs voor vennootschappen in liquidatie, zoals verduidelijkt in het arrest van 2026) geen schending vormde van de aangevoerde grondwettelijke beginselen. Het Hof benadrukte evenwel uitdrukkelijk dat de toepassing van dit verbod (dat voortvloeit uit de toepassing van een effectieve belastingverhoging van minstens 10%) door de fiscale administratie moet gebeuren met eerbiediging van de beginselen van behoorlijk bestuur en evenredigheid. Tevens bevestigde het Hof dat de feitenrechters over een volle rechtsmacht beschikken om na te gaan of de fiscale administratie de evenredigheid van de opgelegde sanctie ten opzichte van de begane inbreuk heeft nageleefd.
Het gaat dus niet langer om de vraag of het aftrekverbod op zich (on)grondwettelijk is, maar wel of de fiscale administratie in een concreet geval de belastingverhoging – die op haar beurt automatisch het aftrekverbod in werking stelt – terecht en op een evenredige wijze heeft toegepast (zie ook onze vorige nieuwsbrief).
Tal van hoven en rechtbanken hebben dan ook gebruik gemaakt van hun beoordelingsbevoegdheid door bijvoorbeeld belastingverhogingen tot 0% te herleiden of deze te verminderen tot beneden 10%, net om de evenredigheid van de sanctie ten opzichte van de begane overtreding te kunnen waarborgen.
In een recent vonnis van 1 april 2026 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, een ander standpunt aangenomen in een zaak van een laattijdige aangifte die aanleiding gaf tot een aanslag van ambtswege. De rechtbank heeft daarbij het aftrekverbod volledig terzijde geschoven wegens het disproportionele karakter ervan, zonder zelfs maar de belastingverhoging van 10% te (hoeven) verlagen. Het is de eerste rechtbank die deze nieuwe weg inslaat.
Goed nieuws aldus voor de belastingplichtige. De combinatie van een belastingverhoging met het aftrekverbod lijkt de toets van de rechters nauwelijks nog te kunnen doorstaan. Hun creativiteit komt goed van pas wanneer hen de ruimte daartoe wordt geboden… .









