Pro memorie:
Met de EBAquinquies was een fiscale regularisatieprocedure opnieuw mogelijk na het wegvallen van het wettelijk kader sinds 1 januari 2024. Voor een bespreking van de EBAquinquies regeling kan verwezen worden naar Tiberghien - EBAquinquies: Continuïteit of koerswijziging?
De regeling betreft inhoudelijk vrijwel een voortzetting van EBAquater, met enkele kleine aanpassingen. Regulariseren is wel weer duurder geworden: de boete op niet-verjaarde inkomsten is gestegen van 25% naar 30%, en voor fiscaal verjaarde kapitalen van 40% naar 45%. In ruil voor die heffing blijft het regularisatieattest enige bescherming bieden tegen fiscale en strafrechtelijke vervolging en verbeurdverklaring.
Echte inhoudelijke vernieuwingen zijn uitgebleven. De aangekondigde soepelere behandeling voor erfgenamen werd niet doorgevoerd, er wordt nog steeds geen onderscheid gemaakt tussen gewone en ernstige fiscale fraude, en de zeer strenge bewijslast voor fiscaal verjaarde kapitalen is behouden gebleven. Vooral voor rechtsopvolgers valt dat in de praktijk problematisch en duur uit.
Kortom: meer van hetzelfde, maar zwaarder en duurder, met weinig structurele hervorming en blijvende aandachtspunten voor wie regularisatie overweegt.
FAQ
Inmiddels is nu ook de FAQ update inzake EBAquinquies gepubliceerd. Bij verificatie van de FAQ stellen wij de volgende zaken vast.
Algemeen genomen wijzigt de FAQ EBAquinquies eerder weinig ten opzichte van de voorgaande FAQ EBAquater. Voor verschillende vragen wordt – zoals dit ook in de voorgaande versie het geval was – eenvoudigweg de wet herhaald. Ook wat betreft de procedurele aspecten (o.a. met betrekking tot de wijze van indiening van het regularisatiedossier) zijn er geen bijzondere wijzigingen op te merken.
Wel lijkt deze versie van de FAQ zich wat genuanceerder op te stellen wat betreft de bewijslast waarbij nu tevens wordt verwezen naar de toepassing van contextuele vermoedens. Dat is een goede zaak (FAQ vraag 35 en vraag 49). Daarnaast is er ook een afzonderlijk luik ‘E’ met betrekking tot de regularisatie van ‘goud’ opgenomen wat echt wel verhelderend is.
We herhalen even de belangrijkste wijzigingen tussen EBAquater en EBAquinquies
- Tarieven worden verstrengd (FAQ 18 en 19)
- Niet-verjaarde inkomsten: van +25% (quater in 2020) naar +30%.
- Fiscaal verjaarde kapitalen: van 40% (quater in 2020) naar 45%.
- Sociale heffing: van 17% (quater in 2020) naar 20%.
- Subtiele aanpassing van definitie “fiscaal verjaarde kapitalen”
In EBAquater stond (FAQ 21):
“… geen heffingsbevoegdheid meer in hoofde van diegene op wiens naam de regularisatieaangifte is ingediend”.
In EBAquinquies staat (FAQ 21):
“… geen heffingsbevoegdheid meer in hoofde van de belastingplichtige die de fiscale overtreding heeft begaan”.
De aanpassing is belangrijk omdat onder EBAquinquies het kwalificatiecriterium verschuift van wie regulariseert (de aangever) naar wie oorspronkelijk de fiscale overtreding beging (de belastingplichtige). Waar men onder de vorige wet nog keek voor de fiscale verjaring naar de persoon op wiens naam de regularisatie werd ingediend, wordt onder EBAquinquies nu beoordeeld of de fiscus nog heffingsbevoegdheid heeft in hoofde van de oorspronkelijke belastingplichtige die het basismisdrijf pleegde (FAQ vraag 21 in samenlezing met vraag 35 en 36). Dat is vooral relevant bij schenkingen, erfenissen en familiale vermogens, waar de aangever niet noodzakelijk dezelfde persoon is als degene die destijds de inkomsten niet correct heeft aangegeven. Daardoor was het onder de EBAquater moeilijker om fiscaal verjaard kapitaal te regulariseren vanuit de positie van de huidige houder van het vermogen. Dat ‘probleem’ voor erfgenamen en begiftigden is dus nu verholpen. Tegelijk sluit dit aan bij de strenge bewijslast in hoofde van de rechtsopvolgers. Het belang zit dus vooral in de impact op complexe historische dossiers en de verhoogde rechtszekerheid voor de aangevers rechtsopvolgers c.q. erfgenamen en begiftigden.
- Bewijslast wordt (nog) strenger
Onder EBAquinquies ligt de bewijslast nu nog nadrukkelijker bij de aangever zélf, die met schriftelijke stukken – aangevuld met contextuele vermoedens - moet aantonen welk deel van het vermogen zijn normale fiscale regime heeft ondergaan. Dat blijkt nu duidelijk uit de samenlezing van de antwoorden op de vragen 21, 23, 25, 35 en 36 (bewijsstukken van het fiscaal verjaard kapitaal) en vraag 49 (regularisatie van goud).
De FAQ bevestigt een merkbaar strengere benadering inzake bewijslast: een loutere verklaring dat bepaalde bedragen ‘wit’ zijn, volstaat niet, maar moet worden ondersteund door stukken zoals aanslagbiljetten, bankdocumentatie, schenkings- of nalatenschapsdocumenten (FAQ vraag 35 en 49). Bij gebrek aan afdoend bewijs blijkt uit de FAQ dat het risico bestaat dat het onbewezen deel — desgevallend zelfs het volledige vermogen — als te regulariseren kapitaal zal worden behandeld (FAQ vraag 25 en 36). De FAQ lijkt daarbij uit te gaan van een sterke presumptie van belastbaarheid, waarbij het aan de aangever is om het tegendeel overtuigend aan te tonen. Vooral bij oude buitenlandse vermogens, historische schenkingen of geërfde tegoeden kan dat problematisch zijn, aangezien de oorsprong en fiscale behandeling daarvan vaak nog moeilijk documenteerbaar is.
Nieuw is bovendien dat de FAQ de beoordeling sterker benadert vanuit de belastingplichtige die de oorspronkelijke fiscale overtreding beging (FAQ vraag 21), wat bepaalde dossiers complexer maakt en bevestigt dat EBA quinquies in de praktijk niet alleen duurder, maar ook strenger wordt toegepast. De FAQ vraag 36 onderstreept daarbij ook nog eens het belang van een prefiling om bij twijfel of de voorhanden zijnde stukken voldoende zijn om het vereiste bewijs te leveren, hierover op anonieme basis enige zekerheid te bekomen. Dat is alvast positief.
Opvallend is dat de FAQ in vragen 34 en 36 sterker aansluiting zoekt bij bestaande (beperkte) rechtspraak ter ondersteuning van de door het CPR gehanteerde interpretatie inzake de bewijslast voor fiscaal verjaarde kapitalen. Hoewel de wettelijke regeling op dit punt inhoudelijk niet is gewijzigd, wil men de strenge bewijsstandaard — met name de verplichting om aan de hand van schriftelijke stukken aan te tonen dat kapitalen hun normaal belastingregime hebben ondergaan — juridisch ook nadrukkelijk in de FAQ verankeren.
Volgens deze (o.i. betwistbare) rechtspraak van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel zou bij de beoordeling van fiscaal verjaarde kapitalen geen rekening kunnen worden gehouden met de zogenaamde geconsumeerde bedragen. Dit zijn bedragen die definitief het vermogen van de aangever hebben verlaten ingevolge consumptie (reizen, uitgaven levensonderhoud, etc.) Deze geconsumeerde bedragen zouden dus ook volgens het standpunt van het Contactpunt niet in mindering kunnen worden gebracht op het te regulariseren vermogen (FAQ vraag 35)[1]. Voorts zou uit die rechtspraak volgens de FAQ volgen dat de aangever een concreet en aantoonbaar verband moet bewijzen tussen de voorgelegde stukken en het betrokken kapitaal, waarbij louter algemene verwijzingen naar vroegere inkomsten of spaargelden onvoldoende zijn[2]. Dat maakt het natuurlijk voor de kandidaat aangever niet gemakkelijker.
Volgens de FAQ kunnen contextuele vermoedens (o.a. de familiale historiek, het gegeven dat de aangever niet werkzaam was in een fraudegevoelige sector etc.) ook slechts aanvullend bewijs vormen en hebben deze contextuele vermoeden slechts waarde voor zover zij ernstig, precies en onderling overeenstemmend zijn, doch zij kunnen het ontbreken van een voldoende onderbouwd oorsprongsbewijs niet zelfstandig compenseren (FAQ vraag 35 en 49).
- Toevoeging inzake de behandeling van goud (FAQ 49)
Tenslotte wordt in de FAQ voor het eerst expliciet een afzonderlijke vraag gewijd aan de regulariseerbaarheid van fysiek goud, terwijl dit onder EBAquater hoogstens impliciet kon worden afgeleid. Daarmee wordt bevestigd dat goud in beginsel als regulariseerbaar vermogen kan kwalificeren, mits voldaan is aan de gebruikelijke voorwaarden inzake oorsprong en bewijsvoering (FAQ vraag 49 in samenlezing met vraag 35). In de FAQ wordt nu zeer in het bijzonder toegespitst op fysiek goud wat uiteraard een materieel voorwerp met “een waarde op zich” is, dat niet kan worden herleid tot een vermelding op een rekening. De FAQ koppelt dit nadrukkelijk aan een feitelijke en documentaire onderbouwing van zowel de herkomst als de verwerving van het goud. Ofschoon het CPR ook hier aansluiting zoekt bij dezelfde strenge bewijsstandaard die geldt voor fiscaal verjaarde kapitalen in het algemeen, vormt deze explicitering een pragmatische verruiming toegespitst op de bijzondere problematiek van fysiek goud. De verwijzing naar het bestaan van kluizen en een “verstoken plaats” kan absoluut worden toegejuicht. Ook een verwijzing inzake de bewijslast met nadrukkelijk inbegrip van de contextuele en overeenstemmende vermoedens wat betreft goud is een opsteker voor de praktijk. Tegelijk wijzen deze toevoegingen op een pragmatische reactie op diverse praktijkvragen, in het bijzonder in dossiers met familiaal vermogen, fysieke activa en oude vermogensopbouw.
Conclusie
De EBAquinquies FAQ brengt inhoudelijk meer vernieuwing dan op het eerste gezicht lijkt. Vooral opvallend is dat fysiek goud nu uitdrukkelijk als regulariseerbaar vermogen wordt genoemd (FAQ vraag 49). De expliciete opname van de goudvraag wijst op een pragmatische reactie op dossiers uit de praktijk en biedt meer rechtszekerheid, en tegelijk ook een duidelijkere en meer genuanceerde bewijslast (FAQ vraag 35, 36 en 49).
Daarmee kan rustig gezegd worden dat het CPR, ondanks het strenge wettelijke kader waarin deze dienst moet werken, toch lijkt te streven naar een pragmatische aanpak van de dossiers in fiscale regularisatie. Dit zal de regulariseerbaarheid van oudere vermogens, ofschoon nog steeds zeer moeilijk en complex, in de praktijk wellicht ten goede komen.
[1] Rb. Brussel 29 juni 2020 en 23 oktober 2020.
[2] Rb. Brussel 20 oktober 2020; 19 maart 2021; 22 maart 2021.








