Wat verandert er?
Het nieuwe artikel 282/1 WIB92 bepaalt dat roerende voorheffing niet wordt verrekend op dividenden die, overeenkomstig artikelen 202 en 203 WIB92, van de winst worden afgetrokken, indien deze dividenden worden betaald of toegekend door:
- een beleggingsvennootschap zoals bedoeld in artikel 203, §1, eerste lid, 2° WIB92 (o.m. DBI-beveks),
- een beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed (art. 203, §1, eerste lid, 2°bis WIB92),
- een gereglementeerde vastgoedvennootschap,
- of een buitenlandse vennootschap met een vergelijkbaar doel als een beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of een gereglementeerde vastgoedvennootschap.
Investeringen in bijvoorbeeld een Private Privak van de 1ste categorie (i.e. die louter investeert in kwalificerende aandelen, en bijvoorbeeld dividenden weder uitkeert aan haar investeerders) en DBI-Beveks worden aldus geviseerd, in de mate dat de dividenden genieten van de DBI-aftrek bij de investeerder-vennootschap.
De verrekening blijft evenwel mogelijk indien de belastingplichtige tijdens het belastbaar tijdperk waarin de inkomsten worden verkregen, aan minstens één bedrijfsleider de minimale bezoldiging toekent zoals bedoeld in artikel 215, derde lid, 4° WIB92. Dit is dezelfde minimale bedrijfsleiderbezoldiging die kleine vennootschappen moeten toekennen om van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting te kunnen genieten (20% op de eerste 100.000 euro aan belastbare winst) en bedraagt, voorlopig nog en in principe, 45.000 euro (tenzij het belastbare inkomen van de vennootschap lager ligt in welk geval ze minimaal gelijk moet zijn aan dit lagere bedrag).
Ook voor “grote” vennootschappen kan het nu dus van belang zijn om een minimale bedrijfsleiderbezoldiging toe te kennen.
Daarnaast geldt deze maatregel niet voor dividenden verkregen door erkende coöperatieve vennootschappen.
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 (dus voor elk boekjaar dat afsluit op en vanaf 31 december 2025).
Belangrijk: wijzigingen aan de afsluitingsdatum van het boekjaar vanaf 3 februari 2025 die niet verantwoord zijn door andere motieven dan het ontwijken van deze bepalingen, blijven zonder uitwerking voor de toepassing van deze maatregel.
Praktische gevolgen
Voor de (management)vennootschappen is het van belang om te controleren of de minimale bezoldiging aan een bedrijfsleider wordt toegekend in elk boekjaar dat afloopt op of vanaf 31 december 2025 indien men de mogelijkheid tot verrekening van roerende voorheffing wenst te behouden. Mocht dit niet het geval zijn, kan de opportuniteitsbeoordeling worden gemaakt om dergelijke bezoldiging vooralsnog toe te kennen.
Tot slot is het bij boekjaarwijzigingen vanaf 3 februari 2025, de motivering cruciaal – indien deze niet voldoende moet worden geacht, kan het aangewezen zijn om alsnog de minimale bezoldiging aan een bedrijfsleider toe te kennen.
Conclusie
De invoering van artikel 282/1 WIB92 brengt dus een nieuw aandachtspunt met zich mee voor (managent)vennootschappen die investeren in (bepaalde) beleggingsvennootschappen. Het niet-verrekenen van roerende voorheffing kan een aanzienlijke impact hebben op de netto-opbrengsten. Wij adviseren om tijdig te evalueren of uw vennootschap voldoet aan de alle vereisten om de roerende voorheffing te kunnen verrekenen.
Heeft u vragen over deze wijzigingen of wilt u meer weten over de verrekening van roerende voorheffing en de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders? Neem gerust contact op met ons of met uw contactpersoon bij Tiberghien voor een advies op maat.







