Advocaten / Avocats / Lawyers

donderdag, 17 december 2015

Btw-vrijstelling beheer collectieve beleggingsinstellingen: verduidelijkingen van het Europees Hof van Justitie kunnen belangrijke impact hebben in België

Recent heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in de zaak Fiscale Eenheid X (C-595/13, 9 december 2015). Deze uitspraak is van groot belang voor de interpretatie van de btw-vrijstelling voor het beheer van collectieve beleggingsinstelling (gemeenschappelijk beleggingsfondsen). 

In eerdere nieuwsbrieven hebben we reeds verwezen naar de conclusie van de advocaat-generaal in deze zaak (klik hier). De vragen die aan bod komen, zijn samengevat (i) kan een vennootschap die is opgericht door meer dan één belegger en die belegt in onroerende goederen kwalificeren als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de btw-vrijstelling en (ii) kan de feitelijke exploitatie van onroerende zaken van dergelijke vennootschap beschouwd worden als een vrijgestelde beheersdienst?

Wat de eerste vraag betreft volgt het Hof van Justitie de conclusie van Advocaat-Generaal Kokott. Een entiteit “waarin kapitaal is samengevoegd door meer dan één belegger die het risico in verband met het beheer van de daarin bijeengebrachte activa draagt, met het oog op de aankoop, het bezit, het beheer en de verkoop van onroerende zaken teneinde daaruit winst te maken, die als dividend zal worden uitgekeerd aan de gezamenlijke aandeelhouders, die ook uit een stijging van de waarde van hun deelneming profijt halen, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat deze vennootschappen aan bijzonder overheidstoezicht heeft onderworpen”, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk beleggingsfonds dat kwalificeert onder de btw-vrijstelling voor beheersdiensten. 

Het Hof van Justitie maakt maw geen onderscheid terzake het beleggingsvoorwerp (onroerend goed dan wel effecten). Tevens wordt, in navolging van eerdere arresten, de vereiste van “beroep op openbaar spaarwezen” niet vermeld als een voorwaarde om te kwalificeren als gemeenschappelijk beleggingsfonds. Het Hof introduceert echter een nieuw onderscheidend criterium, met name de vereiste van “bijzonder overheidstoezicht”. In dit kader verwijst het Hof naast de ICBE-richtlijn ook uitdrukkelijk naar de AIFM-richtlijn 2011/61 waarvan de bepalingen met name ook van toepassing zijn op vastgoedfondsen (zie randnummer 61 van het arrest). O.i. geeft het Hof hiermee aan dat indien een beleggingsinstelling onder de bepalingen van de AIFM-richtlijn kwalificeert de btw-vrijstelling voor beheersdiensten kan gelden voor zover dit fonds ook voldoet aan de andere voorwaarden zoals opgenomen in de definitie van het Hof. 

De tweede vraag waarop het Hof diende te antwoorden omvat het concept “beheer”. In tegenstelling tot de conclusie van Advocaat-Generaal Kokott stelt het Hof dat de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken niet kwalificeert onder beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds: “Aangezien met de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken wordt beoogd het belegde vermogen te behouden en in waarde te doen stijgen, is de doelstelling daarvan niet specifiek voor de activiteit van een gemeenschappelijk beleggingsfonds, maar inherent aan elke soort van belegging.”

Wat de Belgische praktijk betreft, is de toepassing van de btw-vrijstelling tav vastgoedfondsen op dit ogenblik geen issue. De vrijstellingsbepaling omvat met name het beheer van de gereglementeerde vastgoedvennootschappen (B-REITS). Terzake het beheer van deze B-REITS vereist het Hof nu wel dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de eigenlijke beheersdiensten vs. de diensten inzake de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken. Hoe dit onderscheid in de praktijk moet gemaakt worden, vereist nadere analyse en afstemming.

Dit arrest heeft o.i. echter een impact die veel verder gaat dan de toepassing van de btw-vrijstelling voor het beheer van vastgoedfondsen omdat het Hof nu voor het eerst een duidelijke en complete definitie geeft van het begrip “gemeenschappelijk beleggingsfonds”. Hierbij wordt de link gelegd met overheidstoezicht en met name de toepassing van ICBE en AIFM richtlijn. Gelet op de verwijzing naar de AIFM-richtlijn, kan o.i. het beheer van alle zogenaamde “alternatieve beleggingsinstellingen” kwalificeren onder de btw-vrijstelling voor zover de kenmerken van deze beleggingsinstellingen voldoen aan de definitie van het Hof. Momenteel geldt de Belgische btw-vrijstelling enkel tav beleggingsinstellingen die expliciet genoemd zijn in de Belgische bepaling van artikel 44, § 3, 11° W.Btw, i.e. de organismen voor financiering van pensioenen (OFP’s), de B-REITS en de gereglementeerde fondsen zoals opgenomen in de wet van 3 augustus 2012, in de oude versie op datum van 27 maart 2014 (zie beslissing ET 127.885 van 30 maart 2015). O.i. noopt deze uitspraak daarom tot een grondige herziening van de Belgische vrijstellingsbepaling omdat deze duidelijk niet meer in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie.


Voor bijkomende vragen kan u terecht bij het Btw-team:
Stijn Vastmans - Vennoot (stijn.vastmans@tiberghien.com)
Stein De Maeijer - Associate (stein.demaeijer@tiberghien.com)
Gert Vranckx - Associate (gert.vranckx@tiberghien.com)
David Verbeke - Associate (david.verbeke@tiberghien.com)

 
Tiberghien Brussels

Tour & Taxis

Havenlaan|Avenue du Port 86C B.419
BE-1000 Brussels
T +32 2 773 40 00
F +32 2 773 40 55

info@tiberghien.com

Tiberghien Antwerp

Grotesteenweg 214 B.4
BE-2600 Antwerp
T +32 3 443 20 00
F +32 3 443 20 20

info@tiberghien.com

Tiberghien Ghent

Esplanade Oscar Van de Voorde 1
BE-9000 Gent
T +32 9 265 95 51

info@tiberghien.com

Tiberghien Hasselt

Koningin Astridlaan 35
BE-3500 Hasselt
T +32 11 57 00 13

info@tiberghien.com

Tiberghien Luxembourg

23, Boulevard Joseph II
LU-1840 Luxembourg
T +352 27 47 51 11
F +352 27 47 51 10

info@tiberghien.com